Zusters en broeders,
Na een van de vele vergaderingen in mijn vorig leven waren we tussen pot en pint ‘blijven hangen’, zoals dat heet, en zo maakten we kennis met een ander groepje dat ook was blijven hangen. We babbelden over van alles, en voor we het wisten ging het over geloven en niet geloven. Enkelen waren gelovig, anderen waren atheïst. Een van hen zwaaide een beetje met oude dooddoeners, zo van: “Ze gaan alleen naar de kerk voor de buren, of ze gaan om te showen, of ze gaan omdat ze niet anders durven vanwege de pastoor.” Ik zei het al: oude dooddoeners. Immers, voor de buren hoeft niemand naar de kerk te gaan, want de kans is groot dat die buren zelf niet gaan. En als ik zo eens door de kerk kijk, heb ik echt niet de indruk dat hier iemand zit te showen. En omwille van de pastoor hoeven we het ook al niet te doen, want die is er dikwijls zelf niet eens - hoe zou de man ook met al die kerken.
Geen argumenten dus waarvoor je door de knieën gaat. Maar toen kwam het zwaar geschut: ‘Jullie, gelovigen, jullie vinden jezelf zeker veel betere mensen dan ons, ongelovigen." Het werd even stil, en toen antwoordde iemand anders: ‘Ik denk dat je ernaast zit. Maar laten we eens iets proberen. Laten we het leven eens indelen in een aantal vakjes. Een van die vakjes ben je zelf, een ander is je partner en je eventuele kinderen; nog een ander is je beroep en je collega’s; Je ontspanning, je buren en je leefomgeving, de wereld waarin we leven en ga zo maar door … het zijn allemaal vakjes. Het is niet omdat ik gelovig ben dat ik beter met die vakjes omga dan jij die ongelovig bent. Ik ben dus niet beter dan jij, maar ik héb wel meer dan jij. Ik heb immers altijd ten minste één vakje meer, namelijk het vakje geloven. En daardoor heb ik een toekomstperspectief dat jij niet hebt. Ik durf in het onbekende springen, omdat ik nu eenmaal geloof dat er Iemand is die me zal opvangen. Ik ben dus niet beter dan jij, maar ik heb wel iets meer.’ Waarop die ongelovige heel eerlijk antwoordde: ‘Hier scoor je een punt. Je hébt inderdaad iets meer dan ik.’
Zusters en broeders, toen ik de lezingen van vandaag onder ogen kreeg, dacht ik terug die discussie op het scherp van de snee. Koning Achaz in de eerste lezing staat voor ongeloof. Hij zit in een barre situatie: de buurvolkeren van Juda rukken op tegen Jeruzalem. De profeet zegt hem op God te vertrouwen, maar liever dan dat vertrouwt hij op zijn militaire macht en zelfs op een bondgenootschap met erfvijand Assyrië. Hij wil God niet binnenlaten. Voor hem moet God in zijn tempel blijven en hem, Achaz, laten betijen.
In de evangelielezing reageert Jozef heel anders. Ook hij zit in een penibele situatie: zijn verloofde is zwanger, en het kind is niet van hem. Stel je maar eens in zijn plaats, en vraag je eens af hoe je zou reageren, ook al komt een engel je in je droom vertellen dat het kind verwekt werd door de heilige Geest. Tien tegen een dat je zou zeggen dat dromen bedrog zijn. Tien tegen een dat de mannen onder ons hun lief met haar kind zou laten zitten. Dat doet Jozef dus niet. Hij durft in het onbekende springen, recht in een verbond met God waarvan hij doel noch betekenis begrijpt. Recht in een toekomst die tot op vandaag onze toekomst is. Misschien zijn we ons niet genoeg van bewust van de rol die Jozef in die toekomst heeft gespeeld. Hij had immers ook neen kunnen zeggen. Maar dat doet hij dus niet.
Zusters en broeders christenen zijn mensen die in het onbekende durven springen, mensen die op gelijk welke leeftijd durven zwanger zijn van de heilige Geest, van God zelf, en die vanuit die zwangerschap hun leven zin en richting geven. Zin en richting die telkens opnieuw bevestigd worden in ons samenzijn, in ons doen en laten, in ons leven van elke dag. Zin en richting bij deze vierde adventskaars die zegt dat Kerstmis nadert, dat God opnieuw geboren wordt in deze wereld, telkens opnieuw in ons en met ons. En dat Hij ons telkens opnieuw aanzet er te zijn voor elkaar en voor de anderen, en zijn wereld op te bouwen tot een wereld voor iedereen. Wij, christenen, wij kunnen in die droom geloven. Wij kunnen geloven dat de cirkel van het kwaad kan doorbroken worden, dat het recht het kan halen van het onrecht, dat machthebbers hun macht niet misbruiken, dat onze regering werk zal maken van een degelijk woonbeleid dat gericht is op hen die daar nood aan hebben.
Zusters en broeders, wij kunnen geloven dat het niets niet verdrongen wordt door het iets, maar door Iemand. Wij kunnen geloven dat we meer hebben omdat we gelovig zijn. En we hebben niet iets, maar vooral Iemand meer, Iemand die in de eerste lezing ‘Immanuel’ wordt genoemd: God-met-ons. Moge dat in ons leven van elke dag zo zijn: God-met-ons. Amen.