Er is een dorpskerkje in Nederland, daar vindt men een klein houten beeldje van de Doper, dat bij nauwkeurig toezien zes vingers blijkt te hebben aan de rechterhand, gewoon vijf vingers om te ‘hand-elen’ met nog een wijs-vinger ten overvloede.
Zo staat Johannes in de Advent knoestig als een knotwilg, stekelig als een cactus in de woestijn, te wijzen met al zijn vingers Zie, het Lam Gods!
Johannes de Doper is het ook, die heeft gezegd ‘Hij moet groter worden, en ik moet kleiner worden’. En zo is het ook gebeurd. Vorige zondag was hij nog een brullende leeuw in de woestijn ‘Bereidt de weg van de Heer!‘.
Maar vandaag laat hij vragen als een kleine, piepende muis ‘Zijt gij het die komen moet, of moeten wij een ander verwachten?‘ Matteüs bericht daarvan in een adembenemende vertelling, die we zojuist in het evangelie hebben gehoord. Vraag en antwoord gaan in dit verhaal heen en weer. De vraag breekt uit de gevangenis naar buiten zijt, Jezus, gij degene die komen moet, of moeten wij een ander verwachten…? Merkwaardige vraag, alleszins. Want gewoonlijk, wanneer de mensen gaan twijfelen, dan vragen ze is God er wel? Maar als Johannes gaat twijfelen, dan vraagt hij of God nu wel komt - en dat is heel wat anders!
Jezus stuurt aan de gevangen Johannes een groet van bemoediging terug. Hij refereert daarbij naar Jesaja 35 - wat wij vandaag als eerste lezing hebben gehoord. Het is de beschrijving van de voltooid toekomende tijd, hoe dan de aarde een tuin van Eden zal zijn, helemaal Beloofde Land, met bloei en vrede allerwegen. Dit antwoord, ook in de versluiering van die verwijzing naar Jesaja 35, zegt met Messiaanse fijngevoeligheid Ja, méér dan ‘de komende’ - niet de vooruitgezonden bode, maar de Bedoelde, de Langverwachte zelf, de openbaring van Gods aangezicht, Gods wezen zelf wordt naar de mensen toegewend…
Wanneer dus de Doper in zijn angst laat vragen of Jezus, de timmermanszoon uit Nazaret (door hem zelf nota bene gezien en aangewezen!) wel was wie hij bedoelde, antwoordt Jezus met een citaat uit Jesaja 35, dat visioen van de Messiastijd, dat paasvisioen van de woestijn de woeste plaatsen zullen lustoorden worden, de wildernis zal bloeien als een roos… Dit stuk van tien verzen, Jesaja 35, 1-10, is in feite het besluit en de bekroning van Jesaja’s werk. Het is een stuk waaraan niets uit te leggen valt, dat voor zichzelf spreekt, waarbij alleen een enkele kanttekening gemaakt kan worden…
Deze kanttekening bijvoorbeeld: als Johannes geen raad meer weet in het gevang, als hij de noodkreet uitzendt of hij misschien verkeerd gegokt heeft en het wachten soms weer opnieuw begint, of het dus voor hem te laat is, dan krijgt hij dit citaat uit Jesaja 35 ten antwoord. Want in de woorden van Jezus (Matth. 11,46) wordt zo nadrukkelijk en overduidelijk naar Jesaja 35 verwezen, dat je het zo wel zeggen mag heel dit hoofdstuk, heel dit gedicht dat Johannes natuurlijk uit zijn hoofd kende, wordt hem ten antwoord voorgehouden. Hij moet het met Jesaja 35 doen.
Uit deze kleine, cruciale episode blijkt, dat Jezus vol is geweest van dat profetenvisioen. En dat visioen is dan ook vol geraakt van Hem. Ik moet het nog anders zeggen het gedicht is vol van ‘jesjoea’, van ‘herademing’ (om het hebreeuwse woord nu maar eens zo te vertalen). En de Man die dat belichaamt, heeft zichzelf en Zijn weg (v.8!) in dat gedicht herkend…
‘Ben jij de komende, of hebben wij een ander te verwachten?‘ (11,3). Het is de vraag die alsmaar in de christengemeenten rondgespookt heeft was hij het nou? Is hij het? Zo’n aan het kruis terechtgestelde? Moeten wij het daarmee doen? Jezus’ antwoord is niet ‘Ja, ik ben de komende’. Hij geeft de kenmerken waaraan elke ‘komende’ herkend zal worden. Zij moeten zelf waarnemen: ‘Gaat aan Johannes zeggen wat je hoort en ziet blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt het evangelie verkondigd. Gelukkig is degene die aan mij geen aanstoot neemt’. Zo geeft de Matteüsgemeente het weer. Zij wist dat onmogelijk gelukkige moment te bereiken waarin de grootheid van mensen niet langer wordt gemeten naar de zelfverheffing die anderen kleineert en vertrapt, maar waarin de omkering gelukt blinden zien omdat wij wat in hen zien lammen veren op, omdat wij hen in ons leven terugbrengen; melaatsen worden heel, omdat wij ze niet langer verbannen doven horen hoe zij ons hart stelen doden staan op, waar wij het doden beëindigen, de doders hun praktijk uit handen slaan; armen vernemen bevrijding, omdat wij de armen zijn, hun deelgenoot. Samen staan wij op. De ergste kwalen en kwellingen verdwijnen waar ze samen worden gedragen en er tegen gevochten wordt. Ondanks alle ziekten, handicaps, alle verwoesting van lijf en leven, leeft alles op in degenen naar wie iemand toekomt. En zijn miljoenen die zo kwamen, komen, zullen komen, anoniem, niet op de voorpagina’s, maar vanzelfsprekend en zonder voorbehoud. Jezus is één van die velen en van de velen is hij er één. Al die ontelbaren, de massa’s, de volken, die hun vernederden, hun zelfvernedering tegemoet gaan, te lijf gaan, zij zijn één in het komen, één komende. Johannes heeft de goede vraag gesteld, zodat het antwoord voor eens en altijd kan leren hoe het goed komt, met deze wereld…
3e zondag van de advent
A-cyclus · Advent · 3e zondag van de Advent · roze