“Verheug u in de Heer te allen tijde”! Gaudete! Verheug u! Zo heet deze zondag. Wat betekent één zondag gaudete op zeven dagen miseremini? Voor velen is de hele week een miserere.
Toch is de Kerk vreugde, roept ze tot vreugde op, tot zekerheid dat de Messias werkt.
“Zijt Gij het die moet komen”? Johannes stelt deze vraag vanuit zijn gevangenis. Hij hoort over het optreden van Jezus. Hij is in een hachelijke situatie. Jezus laat hem antwoorden: “Gelukkig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt”. Het is voor Johannes niet overtuigend. Herodes, de neef van de grote Herodes, die Jezus als kind had willen vermoorden, heeft hem gevangen gezet omwille van zijn verwijt dat hij met de vrouw van zijn broer leeft. Hij hoort van enkele wonderen, van blinden die weer zien, van doven die weer horen, van Jezus en van diens krachtige leer. Maar het blijven tekenen in een zee van kwaad.
Het blijven altijd tekenen. Altijd zien wij goede dingen, wondere dingen zelfs, maar altijd ook ondervinden wij het meest ergerlijke kwaad rondom ons en dikwijls ondervinden wij het in ons. Was Jezus wel degene die moest komen? Is Hij wel gekomen? Waar is zijn overwinning? We kunnen de oproep tot vreugde goed gebruiken.
Ook de ballingen in het verre Babylonië konden de oproep tot vreugde, tot moed en hoop goed gebruiken. Sinds vijftig jaar leefden ze in ballingschap. Alleen de oudsten hadden een herinnering aan het land van hun jeugd. De jongsten zouden hun eigen land voor de eerste keer zien. Het bevrijdend edict van Cyrus, de koning van de Perzen, was nakend. De joden zouden in groepen kunnen terugkeren, hun eigen dorpen en steden terugzien, hun eigen land en bovenal Jeruzalem! Wie kon dat geloven? De oproep van de profeet tot moed en vreugde kon alleen maar sceptisch stemmen.
Als de terugkeer uit de ballingschap er toch kwam, dan was het echt geen feestelijke processie. De woestijn was geen Libanon van ceders, geen Karmel van wijngaarden en bossen, geen Sjaronvlakte van velden en weiden. Wat de joden dan zagen bij hun thuiskomst waren de verkoolde resten van de tempel, de puinen van Jeruzalems muren. Ingevoerde vreemde volksgroepen bezetten wat van steden en dorpen overbleef, bebouwden de akkers en gebruikten het land. Profeten, priesters en leiders zouden het volk tot wat vreugde moeten oproepen, tot wat moed moeten bijeensleuren, rond een schamel tempeltje. Dat sleuren en trekken zou vijf eeuwen duren.
In Johannes’ en Jezus’ tijd was de wisseling van vreugde en ontmoediging uitgegroeid tot één grote verwarde verwachting. De grote Herodes had een prachttempel gebouwd. Maar de Romeinse adelaar keek erop neer en de religieuze mierenleiders binnenin verkochten een spektakel van wet en wanorde dat van Gods huis een “rovershol” maakte.
Johannes had, onder de invloed van de Geest, bij het doopsel in de Jordaan, in Jezus het Lam Gods herkend, dat de zonde van de wereld zou wegnemen. Een siddering van de Geest had hem doorvoerd. Hij was overtuigd geweest. Nu, in de gevangenis, werd hij door een dramatische twijfel aangegrepen. En tragisch zou zijn leven eindigen.
Dramatisch was ook Jezus’ leven en tragisch zou ook zijn leven eindigen. Hij was vol van de Geest, maar zijn leerlingen begrepen niets, het volk verwachtte mirakels en de leiders waren vijandig. Er waren meer slechte tekenen dan goede.
Goed en kwaad leefden vóór Jezus’ tijd. Goed en kwaad leefden in Jezus’ tijd. Goed en kwaad leven in onze tijd. “Gaudete! Verheug u te allen tijde”: Jezus’ zondag verlicht de hele week. Tot de Kerk behoort wie dat vertaalt. Hij viert de Advent dag na dag…
Gaudete!
A-cyclus · Advent · 3e zondag van de Advent · roze