God geeft tekens

A-cyclus · Advent · 3e zondag van de Advent · roze

Johannes zit in de gevangenis. Hij hoort over de wonde­ren van Jezus en stuurt leerlingen naar Hem toe met de vraag: “Zijt Gij de komende, of hebben wij een ander te verwachten?” Opvallend is dat Johannes op zijn vraag geen duidelijk ja of nee als antwoord krijgt. Ook geen teken uit de hemel waaruit hij zou kunnen besluiten dat Jezus de Messias is. Jezus wijst alleen op de dingen die in het maatschappelijk leven aan het gebeuren zijn. En daaruit kan Johannes afleiden dat een nieuwe tijd is aangebroken: “Blinden zien en lammen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd.”

Die woorden moeten Johannes bekend in de oren ge­klonken hebben, hij had ze tot dan toe alleen niet begre­pen. De profeet Jesaja had met die woorden zijn volksge­noten getroost toen die als migranten en gastarbeiders moesten leven in een vreemd land. De profeet had hen getroost met de woorden die wij hoorden in de eerste lezing: “Spreek tot allen die de moed verloren hebben: vat moed en vrees niet; uw God komt om u te redden. De ogen van de blinde gaan weer open en de oren van de dove zullen geopend worden, de lamme zal springen als een hert en jubelen zal de tong van de stomme.”

Jezus laat dus aan Johannes boodschappen: Kijk naar de kleine, hoopvolle dingen die rondom Mij gebeuren. Dat zijn de tekenen die God geeft om de Messiaanse tijd aan te kondigen. Merkwaardig is ook weer dat Jezus eraan toevoegt: “Zalig hij die geen aanstoot aan Mij neemt.” Johannes had verwacht dat de Messias zou komen om met de wan het kaf van het koren te scheiden: “De bijl ligt al aan de wortel”, dreigde Hij. “Elke boom die geen goede vrucht draagt, zal omgehakt worden”.

Johannes was blijkbaar ontgoocheld omdat niet gebeurde wat hij verwacht had. Hij voelde zich beklemd door de duisternis in zijn hart. Hij had een strenge rechter ver­wacht. Maar Jezus wijst erop dat de Messias “weldoende rondtrekt”. De hoopgevende tekens waar Jezus op wijst, spreken niet van oordeel en straf voor alles wat zondig is. Zij spreken van bevrijding en genezing, van medelijden met allen die lijden. De Messias zal zijn rijk opbouwen met zorg en liefde voor alles wat zwak en gebrekkig is.

Als wij willen weten of onze maatschappij op de juiste weg is, dan verwijst Hij ook ons naar wat in onze tijd aan het gebeuren is. Wat doet de maatschappij voor de blin­den, voor hen die echt blind zijn, maar ook voor hen die het niet meer zien zitten, die in hun leven geen lichtstraal meer zien, om hun een uitweg te wijzen, voor marginalen, drugsverslaafden, daklozen? Wat doet de maat­schappij voor verlamden, mensen die niet meer meekunnen met onze welvaart, die nergens steun vinden? Hoe staan wij tegenover buitenlanders die wij wel ongewenst vinden, maar die wij toch niet willen missen omdat ze werk op­knappen dat wij liever niet doen? Wat doen wij voor de vereenzaamden en gehandicapten in onze maatschappij? Wat gij voor deze mensen doet, zegt Jezus, is het waarmerk van de nieuwe tijd.

De eigentijdse vertaling van het evangelie is de zorg voor het geluk en het welzijn van de ander. Daarom roept deze adventstijd ons ook op tot welzijnszorg. Zo stellen wij een teken dat het godsrijk komende is. Tot hen die er zich aan ergeren dat het godsrijk zich niet met geweld baanbreekt, zegt Jezus: “Zalig wie zich aan Mij niet ergert”.

Het Rijk van God komt met veel geduld, met kleine stap­pen en lange adem. Dat God komt met geduld en barm­hartigheid, dat zullen ook wij nog moeten leren, net zoals Johannes de Doper het moest leren…

Zoeken in Preken Online