In deze tijd – de donkerste tijd van het jaar – groeien we in licht. Groeien we naar de komst van het licht in onze wereld, in mensen om ons heen, in ons eigen leven. Elke week brandt er een kaars méér op de adventskrans. Het lijkt wel of we het korten der dagen in geloof willen tegenspreken: en toch. En toch wacht ik de morgen. Wat mij ook treft, welk ongeluk mij ook ten deel valt, of aan welk onnoembaar leed en aan welke niet te harden wisselvalligheden ik ook ten prooi val, tóch blijf ik hopen dat nog ooit, tóch blijf ik uitzien naar nieuw leven.
Dat ‘en toch’ is misschien de mooiste omschrijving van wat geloven is. Er is natuurlijk van alles wat dat geloof aanvecht en ter discussie stelt. Er zijn meer dan genoeg argumenten om geloven maar even tussen haakjes te zetten. Waarom zou je nog verder gaan op die ingeslagen weg? En inderdaad, dat is allemaal waar. Kijk maar in de krant, luister maar naar verhalen van mensen, ook van onze meest naaste kennissen en verwanten. Doch iemand die gelooft in nieuw leven, in licht dat niet dooft, in vuur dat oplaait, zo iemand zal zeggen: en tóch.
Zo spreekt vandaag ook de Schrift, dat prachtige boek om mee te leven. Een boek om altijd dicht bij je te hebben. Een boek vol tegenstrijdigheden soms en elkaar weersprekende ervaringen, maar toch vooreerst een boek waarin God zich aan ons laat kennen als iemand die van onze geschiedenis. Een God die in zijn Woord steeds opnieuw aan ons geschiedt. Niet alleen toen en daarginds, maar evenzeer hier en nu, elke dag weer opnieuw.
Wij lezen nooit zomaar de Schrift, zonder enige context. We lezen de Schrift tegen de achtergrond van het boek van ons eigen leven. Zo krijgt een tekst betekenis, ontvouwt zich een weg voor onze ogen, ontdekken we wie God voor ons is. En we kunnen soms ook ons eigen bestaan in een nieuw licht zien, gebeurtenissen uit ons leven krijgen duiding en soms openbaren zich onvermoede diepten.
De lezingen van vandaag spreken alle drie over hoop. Hoop op toekomst, een tijd waarin alles goed zal zijn, waarin beloften en dromen worden vervuld. In de eerste lezing heet het dat er een twijg zal ontspruiten aan de stronk van Isaï. Teken van de lente die in aantocht is, van de winter die voorbijgaat. Er wordt nieuw leven aangezegd in deze twijg. Hij zal bezield zijn met de Geest. Die Geest is overigens als een tweede rode draad door de drie lezingen geweven. De Geest van wijsheid, van raad, van liefde, sterker dan de dood. De hele aarde zal vervuld zijn met liefde tot God, en dus ook met liefde tot elkaar. Geen kwaad wordt nog bedreven, geen noodgeschrei nog gehoord in de straten. Gerechtigheid zal ontbloeien, eindelijk, en er zal vrede en overvloed zijn, zolang de dagen duren. Toekomst en vrede voor mensen, vooral ook voor de armen en verdrukten, voor de rechtelozen, voor allen die nauwelijks geborgen zijn in dit bestaan.
Wat moeten wij met zo’n lezing die toch wel het tegendeel lijkt te zijn van onze realiteit. Geeft zo’n tekst niet een verkeerde voorstelling van zaken, wordt de werkelijkheid hier niet verdraaid?
Het antwoord is nee. Niet als je deze profetie leest als een gelovige visie op het leven. Er is hoop, en we zijn misschien wel geroepen tot die hoop. Het is niet alleen een voorzegging van iets dat inmiddels alweer achter de rug is. Evenzeer is waar, dat de woorden ook nu nog niets aan geldigheid en actualiteit hebben ingeboet. De profeet Jesaja prikkelt ons ook vandaag om te zingen van het visioen.
‘Alles wat eertijds werd opgeschreven, werd opgetekend tot onze lering, opdat wij door de volharding en de vertroosting die wij putten uit de Schrift, in hoop zouden leven’. Zo zegt ons de tweede lezing, een brief van Paulus aan de christengemeente van Rome. Die volharding wordt ook aan ons geschonken, door God zelf, die zijn Geest vaardig doet zijn over mensen. Dezelfde Geest die ook Jezus bezielde, moge ook komen over allen, en mensen vormen tot gemeenschap in zijn Naam.
Paulus laat in zijn onderricht zien, dat met Jezus de oude beloften, ooit bij monde van de profeten voorzegd, tot vervulling zijn gekomen. Niet alleen het Joodse volk, ook de velen die waar ook ter wereld hun bestaan hebben opgebouwd, zijn geroepen om de bevrijdende boodschap kennis te horen en te verstaan. De gemeenschap waarover Paulus spreekt, is niet alleen een gemeenschap tussen mensen onderling, maar ook tussen landen en volken. Tussen culturen en religies. Tussen generaties en stromingen. Een boodschap die nog altijd klinken mag.
Is dat alles ver weg? Het rijk der hemelen is nabij, predikt Johannes de Doper. Het is niet daarginds en straks, maar hier en nu. Een stem roept in de woestijn. Een hand die doopt met water. Maar er zal iemand opstaan, die zal dopen met vuur, met kracht, met heilige Geest. Het is tijd voor de oogst: bomen die geen goede vrucht dragen worden omgehakt. Waartoe zouden ze anders nog langer de grond uitputten? En met een ander beeld laat Johannes zien dat de tarwe wordt verzameld in de schuur. Daarin klinkt iets mee van die gemeenschap die zal worden gesticht. Een rijk van vrede. En het is nabij, hier en nu.
Wat moet er gebeuren? Het evangelie laat daarover geen onduidelijkheid bestaan. Bekeert u, heet het. Brengt vruchten voort van eerlijke bekering. Maar in die bekering schuilt nog een addertje onder het gras. Want, zegt het evangelie, er kwamen ook Farizeeën en Sadduceeën om zich te laten dopen. Maar kennelijk is hun gebaar niet zo oprecht als ze wel willen doen voorkomen. Johannes doorziet al dat uiterlijk vertoon. ‘Adderengebroed’, zegt hij, ‘denken jullie soms dat je kunt ontkomen aan het oordeel? Alsof hij hen aanklaagt: ‘Nou vraag ik je: waartoe zijn jullie nu eigenlijk gekomen?’
Die bekering is niet louter buitenkant. Zoiets vraagt eerlijkheid toe naar jezelf. Hoe ben ik omgegaan met datgene wat mij werd toevertrouwd? Met de mensen die mij zijn gegeven? Met mijzelf? Eerlijke bekering, dat is: wegbereider zijn, paden effenen. Ieder op zijn eigen manier natuurlijk, en met heel eigen gaven en mogelijkheden, met talenten en bekwaamheden. Tot opbouw van een geheel. Eerlijke bekering is ook nu weer durven zeggen: en tóch. Toch ga ik ervoor. Misschien met struikelen en verdwalen, met vallen en opstaan. Maar dat vallen is niet zo erg, het wordt pas echt problematisch wanneer je niet meer opstaat. Eerlijke bekering is ook bezield willen worden met nieuw vuur, dat oplaait in oude woorden. Je er niet bij neerleggen, maar innerlijk vertrouwen en hopen, niet zonder de zin voor de realiteit te verliezen natuurlijk, maar wel vanuit geloof dat die realiteit overstijgt.
Moge de verwachting van Jezus’ komst in ons bestaan ons innerlijk bezielen en vernieuwen, moge de hoop op toekomst en vrede voor de wereld ons gaande houden, en moge Gods heilige Geest ons herscheppen en herademen, ons samenbrengen en ons nieuw doen leven.
2e zondag in de advent A (2007)
A-cyclus · Advent · 2e zondag van de Advent · paars