In de Willibrordvertaling van het Nieuwe Testament van de Katholieke Bijbelstichting spreekt Johannes de doper bij Matteüs ‘vele Farizeeën en Sadduceeën’ - dus niet alle - dreigend toe. Hij zegt: ‘Adderengebroed, wie heeft u voorgespiegeld, dat ge de dreigende toorn kunt ontvluchten.’ Het is onze interpretatie van dat woordje ‘toorn’ dat - hoe unheimlich het ook klinkt - de hele bedoeling van Johannes dreigt te ontkrachten. We verwarren die toom vaak met een emotie, de emotie van ‘kwaad zijn’. Het is dan God die woedend is omdat we zijn werk onder ons verknoeien. Omdat we zijn schepping niet respecteren. We moeten dan bang zijn voor het oordeel van een God, die dodelijk beledigd is en daar woedend op reageert door ons met ondergang en hel te bedreigen.
Als we zo redeneren moet er dus eigenlijk iets aan God gedaan worden om alles weer recht te trekken. Dat komt in een dergelijke theologische aanpak Jezus dan doen, door zich voor ons op te offeren om de toom van zijn vader te sussen en alles weer goed te maken.
Om verschillende redenen lijkt die verklaring niet meer te voldoen. Op de eerste plaats is het een theorie die ons in deze wereld niet veel verder zou helpen. Maar er zijn bovendien ook bijbeltechnische redenen om naar een andere verklaring te zoeken. Commentatoren hebben er vaak op gewezen dat met dat woord ‘toom’ hier geen emotie bedoeld wordt. Het is iets anders. Het is eerder een oordeel. Het is het constateren van een feit. De wereld dreigt ten onder te gaan, niet omdat God zo kwaad is, maar omdat wij er zoveel onrecht in bedreven hebben. We hebben er zo aan zitten knoeien in onze onderlinge verhoudingen, en in onze verhoudingen ten opzichte van dier, plant en ding, dat er eigenlijk geen houden meer aan is. Volgens Johannes staat de wereld in zijn tijd al op springen. Dat is de toom waar we niet aan kunnen ontsnappen als we niet uitkijken en veranderen. Hij heeft het over een bijl die aan de wortels van de boom ligt. Die bijl ligt daar niet omdat God de zaak om gaat kappen. De bomen in het Zwarte Woud en in de streken van ons land waar de vegetatie zwart wegbrandt, gaan niet dood omdat God ze een ziekte overzond. Ze worden ziek omdat wij ze vergiftigen. Wij leggen die bijl aan de wortels van die bomen. Wij zijn het die ze langzaam in de zure regen doen verstikken.
De mensenmaatschappij wordt niet bedreigd door God, ze wordt bedreigd door onszelf. Als een maatschappij aan onrechtvaardigheid ten gronde gaat is dat niet omdat God die onrechtvaardigheid bestraft. Het is de onrechtvaardigheid zelf die dat onheil bezorgt. Neem het steeds groeiende verschil tussen arm en rijk. Je kunt zelfs aan de manier waarop de rijken zich steeds meer en meer met veiligheidssystemen beschermen zien, dat dat verschil op een gegeven ogenblik gewoon niet meer kan. Over dergelijke ontwikkelingen heeft Johannes het in zijn tijd al, als hij zegt: ‘Hoe denken jullie te ontsnappen aan de dreigende toorn?’ Hoe denken jullie te ontsnappen aan wat je zelf bewerkt hebt? Bij Lucas zegt hij dat niet alleen tegen een groep Farizeeën en Sadduceeën, maar aan de hele menigte die uitgelopen is om hem te horen en te zien. Als zij hem dan vragen: ‘Wat moeten we doen?’, antwoordt hij hun niet dat ze boete moeten doen, dat ze moeten bidden, of dat ze de woestijn in moeten trekken. Wat ze moeten doen is hun levensstijl veranderen, eerlijk zijn, en wat ze te veel hebben inleveren aan hen die niets hebben. Johannes maakt duidelijk dat zij het zijn die moeten veranderen, en als ze dat niet doen, zullen ze aan de gevolgen van hun zondige kortzichtigheid ten onder gaan. Het is ook juist hier dat Johannes hen in de steek moet laten. Hij zegt dat hij kan dopen met water om die bekering voor te bereiden. Dat is alles wat hij kan doen. Verder kan hij niet gaan. Daar is een machtiger iemand voor nodig. De levensenergie die voor de nieuwe aanpak nodig is kan hij niet geven. Die moet komen van iemand die sterker is dan hij. Van iemand die zo kan leven en sterven dat hij vanuit onze menselijke harten en hoofden een nieuwe geest en een nieuw vuur op kan doen laaien, zo dat alles wat ongedaan gemaakt moet worden weg brandt, en alleen het levengevende behouden blijft…
Heil en onheil
A-cyclus · Advent · 2e zondag van de Advent · paars