Het zou ons goed doen opnieuw af en toe eens een pagina poëzie te lezen. Anders worden we hard van hart in een wereld van ijzer en beton. Anders geloven we wellicht dat het geluk van mensen van dezelfde makelij is. Maar zo komen we in een woestijn terecht en gaan we knielen op het verkeerde been. Een vleugje poëzie lezen is daar een goede remedie tegen. Ook al ligt dit soort geschrijf niet goed in de markt. Ook al is de dichter in dit geval al vele eeuwen dood.
Jesaja is zijn naam. Hij is een klassieke auteur, is dus actueel in elke tijd. Ik denk zelfs dat de advent ons daarvoor gegeven is: om ons in het dromen te oefenen. Vandaag staat in het gedicht het kind centraal. Het wandelt en heerst in de dierentuin. Een wolf en een lam, een panter en een geitje, een kalf en een leeuwenjong, een koe en een berm, een leeuw en een rund. Zij zijn de spelers in het stuk. Alleen in onze diepste wensen kan een kleuter ze bij de leiband nemen. Alleen in onze slaap speelt het kind in het nest van de adder.
Dat moet dan de redding worden van de wereld? Handen af van het kind! Het is het eerste en het laatste wat ons dierbaar is. Een kind is meer dan een toekomstige volwassene, meer dan een aanstaande concurrent in de genadeloze competitie van grote mensen. Het kind vermag wat wetteksten en politiereglementen, wat onderzoekscommissies en magistraten niet vermogen.
Onze wereld wordt misschien anders als het kind zijn hand in onze boezem mag steken? Misschien geneest ons dit gebaar? Misschien worden we minder bang? Want ons aller ziekte heeft een naam: wij lijden aan en laten ons leiden door een virus van angst. Wij zijn bang van een leeuw, een wolf en een panter, van een hond en van een tijger, van een slang en van een spin. Als ze in onze buurt komen, houden wij de ogen wijd open en onze deuren moerdicht. Hier waak ik - dat plaatsen we op het hek Voor onze woning. Wij zijn bang.
En zo zitten wij ongemakkelijk in ons keurslijf van angst. Zo zijn we bang van de meester in de klas, van de leerling naast ons op de bank, van de man in uniform, van de mens die na negen uur s avonds nog klopt op onze deur, van de verschijning in de donkere straat. We zijn bang van de slaande argumenten van de geweldige man, van het gif van de jaloerse collega, van de overste die niets vergeet. Maar we zijn vooral bang van onszelf. Van onze faalangst. Van onze spiegel die feilloos zegt wie we zijn en die ons leert dat onze schijn niet onze waarheid is. Want onze diepste waarheid doet ons finaal te zeer pijn.
Maar nu is het advent. De tijd om de doos van onze dromen te openen. De tijd die ons doet uitzien naar het kind in het witte gewaad. Misschien wordt de leeuw in ons ‘verlamd’ door het lam in ons? Misschien leren wij ooit eens te vechten als een leeuw voor het bedreigde lam van een ander? Welzijnszorg is toch de naam van onze edelmoedigheid in deze tijd?
Alleen het kind kan het ons leren. Welkom Kind van onze dromen. Je mag verschijnen. Liefst in het wit!…
De kleuter en de dierentuin
A-cyclus · Advent · 2e zondag van de Advent · paars