Beloften en dreigementen

A-cyclus · Advent · 2e zondag van de Advent · paars

De advent is een tijd van tegenstrijdigheden: tegelijk worden grootse beloften aangezegd (Jesaja) en zware dreigementen geuit (Johannes de Doper). De kans is groot dat zowel het een als het ander afschampt: tegen de dreigementen in hopen we op Gods barmhartigheid, en de beloften lijken totaal irreëel. In feite gaat het ook niet om dat hellevuur of dat luilekker­land. Zowel de beloften als de dreigementen zijn gericht op dit ene: dat de hoorder zich bekeert.

Is dreigen dan toch een goed middel om mensen tot beke­ring te brengen? Jezus, de Doper en nagenoeg alle profeten hebben met het hellevuur gedreigd. Toch was het niet hun bedoeling om er zomaar de schrik in te krijgen. Ze konden zich niet neerleggen bij de lauwheid en halfslachtigheid die ze rondom zich zagen, omdat ze weet hadden van de hoge roe­ping van de mens en van datgene wat God met heel zijn schepping voorheeft. Jesaja’s visioen van vrede en harmonie (een van de mooiste bladzijden uit de wereldliteratuur!) was ofwel naïef wensdenken waarvoor onder de zon geen plaats is, ofwel de uiterste durf van iemand die weet waar God naartoe wil en beseft wat kan gebeuren als God werkelijk alle kansen krijgt in deze wereld. Dat perspectief van heerlijke beloften is de ene kant van de profetie.

In contrast daarmee ziet de profeet, in dit geval Johannes de Doper, waar mensen werkelijk staan en nog maar staan. Hij brengt dat onverbloemd aan het licht. Niet uit zuur misprij­zen voor de slechtheid van de mensen, maar vanuit een ge­durfd geloof in wat mogelijk is, in het goede waartoe mensen geroepen zijn en waartoe ze in staat zijn.

Om aan bekering te kunnen werken moeten we eerst besef­fen waar we in feite aan toe zijn. Wij kunnen maar ‘met heel ons hart, heel onze ziel, al onze krachten en heel ons ver­stand’ God en de naaste liefhebben, als we eerst beseffen wat er werkelijk in ons omgaat. Anders maken we ons illusies. De ongenadige ontmaskering van het kwaad in de mens is maar de donkere keerzijde van de lichtende mogelijkheden die elke mens in zich draagt. Een mens kan namelijk liefhebben tot in de wortel van zijn wezen. Zeker, daarvoor moet een enorm lange en moeilijke weg afgelegd worden, maar die bekering is geen onbegonnen werk. Anders gezegd: God kan met ons pas grote dingen doen als wij eerst zijn licht laten doorstralen tot in onze diepste duisternis, als wij voor Hem werkelijk niets meer te verbergen hebben en ons laten kennen zoals we door Hem gekend zijn. Dat zou ondraaglijk zijn als er niet die ande­re kant was, die lichtzijde waarin God ons wil opnemen. De Doper zou onuitstaanbaar zijn als er niet het visioen van Jesa­ja was. Godsmannen in de Schrift verwoorden zowel het ene als het andere. Ze zetten zich aan een ongenadige ontmaske­ring van de mens, om hem op te tillen tot een hoogte waarvan hij geen vermoeden heeft. Tussen die twee ligt de levensweg: bekering, er met Gods genade aan werken, niet moe worden en het nooit opgeven…

Zoeken in Preken Online