Boetepredikers worden niet meer gevraagd

A-cyclus · Advent · 2e zondag van de Advent · paars

Wat zou er gebeuren als een pastoor op deze adventszondag de toon zou aanslaan van Johannes de Doper? ‘Adderengebroed’ noemt hij de farizeeën. Die mensen waren al van Jeruzalem naar de Jordaan gekomen, dus toonden zij toch al wel een zekere bereid­heid om zich te bekeren, anders zouden zij zo’n lange weg niet hebben afgelegd. Ze geven zich al zoveel moeite en nu krijgen ze ook nog bedreigingen naar hun hoofd geslingerd: ‘Meen niet dat jullie de dreigende toom zult kunnen ontvluchten’.

Ik denk dat een pastoor die zulke bedreigingen vandaag over het hoofd van zijn beminde gelovigen zou jagen al direct moeilijkhe­den zou krijgen met zijn parochieraad en dat zou nog wel het minste zijn; misschien zou hij zelfs bij de bisschop op het matje geroepen worden met de vermaning: ‘Zo mag je nu niet meer pre­ken, je jaagt de mensen de kerk uit’.

Die bezorgdheid om toch maar geen mensen de kerk uit te jagen kan ik best begrijpen, wij zijn zo’n harde toon niet meer gewend en de mensen nemen het eenvoudig niet meer.

En toch… stelt de Kerk ons elk jaar opnieuw de gestalte van Sint Jan de Doper voor ogen. En de Kerk weet heel goed wat ze doet. Ook als boete en bekering ons, moderne christenen, niet meer zoveel zeggen, dan kunnen wij er toch niet onderuit, want zonder boete en bekering kunnen wij het heil en de vreugde van God nooit deelachtig worden. De oproep tot mentaliteitsverandering en bekering is het begin van de Blijde Boodschap, de manier waar­op die boodschap verkondigd wordt, is misschien bijkomstig, maar wij mogen het toch wel eens zeggen: een preek moet een mens kunnen veranderen, na een goede preek zouden de toehoor­ders niet meer dezelfden mogen zijn. Een goede preek moet ergens pijn doen, moet ons geweten wakker schudden.

De vraag is of wij bij het begin van de advent bereid zijn om deze oproep aan te nemen. Ik denk dat juist de trouwe kerkgangers daar het meeste moeite mee hebben. Zij doen toch eigenlijk niets verkeerds, zij doen wat ze moeten doen, gaan naar de kerk, onder­houden de geboden, delen broederlijk en daarom vragen zij zich in stilte af: op welk vlak zou ik mij moeten bekeren?

In zekere zin hebben deze christenen gelijk. Bekeren wil niet zeg­gen: jezelf zonden en fouten toedichten, die je niet begaan hebt. Maar er bestaat ook zoiets als vrome beroepsblindheid. Kijk maar eens eerlijk in de spiegel van het evangelie: wie van ons komt in het reine met zijn hebzucht, zijn eerzucht, zijn zelfzucht? Hoe sta ik tegenover iemand die in nood is? Hoe gedraag ik mij tegen­over iemand die mij niet zo sympathiek is, die mij op de zenuwen werkt? Zo’n vragenlijst zou ik nog een heel stuk kunnen verlen­gen. Maar zou het ook geen bekering kunnen zijn als wij eens een beetje meer op het goede zouden gaan letten, als wij zelf ons eens een beetje meer zouden inzetten om het goede te doen en wij be­reid zouden zijn om het goede bij de anderen aan te moedigen. U ziet wel, wij hebben allemaal nog heel wat werk voor de boeg, voordat het Kerstmis kan worden. Laten we de bekering van ons hart toch serieus nemen. De grootste schuld van de mens zijn niet zijn zonden, de grootste schuld van de mens is dat hij zich op elk ogenblik bekeren kan en het niet doet!…

Zoeken in Preken Online