Bekeer u, verander van mentaliteit, ga anders leven: zo luidt in verschillende vertalingen het eerste woord van prediking van Johannes de Doper. Het was ook het eerste woord van Jezus’ blijde boodschap: bekeert u en gelooft in de blijde boodschap! Als de joden na de verrijzenis aan Petrus vragen: wat moeten wij doen? antwoordt Petrus hetzelfde met de woorden: bekeert u. Wij overdrijven niet als wij zeggen dat de bekering het sleutelwoord is van het evangelie; alleen met dit woord kunnen wij de schatkamer van de blijde boodschap openen.
Wij spelen de mensen dikwijls de melodie van de blijde boodschap voor, maar het is net alsof er aan onze cassette iets hapert: de eerste twee woorden komen niet door, de eerste twee centimeters schijnen uitgewist, en dat zijn juist de eerste twee woorden van de blijde boodschap: bekeert u. Laten we eerlijk zijn, die bekeringsgezindheid is toch niet het eerste wat ons, bij de christenen van onze tijd, opvalt.
Wij menen dat wij geen radicale bekering nodig hebben. Zo erg is het met ons toch niet gesteld: wij gaan toch elke zondag naar de mis; wij steunen alle goede werken; wij zijn eerlijk op ons werk. Wat zou er bij ons nu moeten veranderen? Wij bekennen toch in elke Eucharistie dat wij gezondigd hebben, en we zullen voor Kerstmis ook nog wel naar een biechtviering gaan. Dat wij ons nu in de advent echt en radicaal zouden moeten bekeren, dat gaat er bij ons toch moeilijk in. Wij zijn zo een beetje als de Farizeeën van dit evangelie. Wij hebben Abraham als vader, daarom moet God ons toch wel liefhebben. Wij zijn van huis uit katholiek, wij doen toch wat wij moeten doen.
Waarin bestaat dan die bekering die Johannes vandaag zo uitdrukkelijk van ons vraagt? Hij heeft zeker niet aan een paar uiterlijke gedragsveranderingen gedacht, ook niet aan enkele goede adventsvoornemens, hoe goed die ook zijn. Hij legt de bijl aan de wortel en vraagt van ons een ommekeer van 180 graden, een ommekeer van heel ons leven. Bekeren, in de evangelische zin van het woord, betekent zich helemaal openstellen voor het heil dat God ons in Jezus wil aanbieden. Die ontmoeting met God gebeurt door het geloof dat Jezus de verzoening is van onze zonde. Wij moeten ons keren naar de richting vanwaar het heil komt. Ons bekeren tot God wil zeggen dat wij niet menen alles zelf te moeten doen. Ons bekeren is: God God laten zijn in je leven en ruimte scheppen voor de Geest van Jezus, zodat Hij zelf met zijn gezindheid in ons verder kan leven.
Bekeren betekent ook: je omkeren, je toekeren naar de nood van de mensen. Wij cirkelen zo vaak rond onze eigen hebzucht, heerszucht en eerzucht, en zo laten we geen ruimte voor de andere mensen en laten de anderen vaak niet tot hun recht komen. Wij moeten eens proberen in de schoenen te staan van mensen die in nood zijn: zieken, werklozen. Wij moeten eens proberen om de mensen die aan de rand van de maatschappij gesukkeld zijn, weer in het middelpunt van de belangstelling te plaatsen. In het Rijk van God gaan de armsten voor. Wij moeten eens gaan proberen om de crisis niet af te schuiven op de groepen mensen die niet zo vlug onder zich uit zijn: gehandicapten, zieken, bejaarden. Jezus wil ons dopen met het vuur en de Geest om de wereld tot een nieuwe samenleving te brengen. Een wereld waarin niemand meer leeft voor zichzelf alleen, waar mensen bereid zijn om broederlijk te delen: tijd en arbeid, voedsel en kleding. Een wereld die bewoonbaar is voor iedereen. Bekeren is de poorten van je hart openstellen voor het heil. Dat doen wij als wij ons eerlijk inzetten voor gerechtigheid en vrede, ieder op zijn plaats; als wij de zorgen delen van hen die met ons onderweg zijn, als wij de zieken en de zwakken troosten en bijstaan; als wij bidden voor onze vervolgers en vijanden. Dan zal heel de wereld Gods heil aanschouwen en zullen wij een betere toekomst opbouwen. Want de vrucht van elke bekering is het geluk van de mensen. Het geluk van de mensen is het heil dat God ons wil aanbieden in Jezus, zijn Zoon…
Bekeert u
A-cyclus · Advent · 2e zondag van de Advent · paars