Verwachten wij een oordeel of redding?

A-cyclus · Advent · 2e zondag van de Advent · paars

Er is een opmerkelijk verschil tussen de persoon en de prediking van Johannes de Doper en Jezus. Johannes was een strenge asceet: hij droeg een kemelharen kleed met lederen gordel, zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing. Zijn woorden klonken als een donderpreek, bijna als een treurzang: Gij zult de komende toom niet ontvluchten, de bijl ligt reeds aan de boom en het kaf, gescheiden van de tarwe, zal in de vuuroven gewor­pen worden.

Zo heeft Jezus nooit gedacht, gesproken of geleefd. Over Hem hebben wij een heel vreemd woord van zijn tegen­standers. Zij noemden Hem een gulzigaard, een wijndrin­ker. Nu, dat zal zeker overdreven zijn. Maar, zegt Uilen­spiegel: waar rook is, daar is ook vuur. Jezus spreekt zeer gemakkelijk van bruiloft vieren, een feestmaal en nieuwe wijn. Zijn prediking klinkt als een lied, een lied van bevrijding, van hoop en vreugde: hef uw hoofden om­hoog, uw heil is nabij; kijk naar de vijgenboom dan weet je dat de lente komt. Als Johannes het kaf van het koren scheiden wil, dan wil Jezus allen binnenbrengen in de feestzaal.

Is dat misschien het verschil tussen het Oude en het Nieuwe Verbond?

Figuren als Johannes de Doper zijn nog niet de wereld uit: mensen die streng zijn voor zichzelf en streng voor ande­ren. Er zijn mensen die onheil en oordeel verkondigen: het wordt tijd dat er eens scheiding wordt gemaakt tussen onkruid en tarwe. Zeker de onheilsprofeten van deze tijd hebben een groot stuk gelijk en hun stem mag niet onge­hoord blijven. Maar er ontbreekt een element dat wezen­lijk is: de hoop. Elke profetie of openbaring die eindigt op onheil, kan nooit van God komen. Bij God is er altijd toekomst en het laatste woord bij God is altijd heil.

Daarom heeft de Kerk in deze adventstijd, waarin heel de wereld lijdt onder dreigend onheil, de zending om een boodschap van hoop te verkondigen. Elke ware gods­dienst moet een boodschap van hoop verkondigen. ‘Na mij’, zegt Johannes, ’komt Hij die sterker is dan ik’. Jezus heeft altijd verzoenende woorden gesproken die de angst uit de harten van de mensen wegnam. Jezus weet dat men mensen niet kan redden met de dorsvlegel of de bijl in de hand. Jezus heeft altijd mensen samengebracht, goeden en slechten. Hij heeft nooit bij andersdenkenden zondebokken gezocht, integendeel Hij heeft bij hen steeds voorbeelden gevonden voor zijn eigen volk. Van de hei­dense, Romeinse honderdman zegt Hij: “Zo’n groot geloof heb Ik in Israël niet gevonden.” En tegen de Kanaänitische vrouw: “Vrouw, uw geloof is groot.” En verder: “Velen zullen van het oosten en het westen komen en met Abra­ham, Isaak en Jakob in het rijk der hemelen aanzitten.” Het Rijk Gods wordt niet opgebouwd door anderen te excommuniceren, maar door solidair te zijn met het zwak­ke en het zondige. In het Rijk Gods gaat genade voor recht en bevrijding, boven de wet.

De Kerk van Jezus moet zich nog een heel stuk bekeren om te worden zoals Paus Johannes XXIII ze uittekent bij het begin van het concilie: als een zeer liefdevolle, goede en geduldige moeder, vol erbarmen en welwillendheid voor alle mensen.

Als wij nu in de advent wachtend uitzien naar de komst van onze God, dan stelt zich de vraag: op welke God zitten wij te wachten? Op die strenge, oordelende, autori­taire Heerser? Of op die kwetsbare, hulpeloze, begrij­pende, machteloze God van Kerstmis? Wij wachten op een God die niet komt om zijn rechten op te eisen, maar om te zoeken en te redden wat verloren was…

Zoeken in Preken Online