1e zondag in de advent A (2001)

A-cyclus · Advent · 1e zondag van de Advent · paars

Twee passanten steken het zebrapad over. Een wagen vliegt in volle vaart door het rode licht : de ene passant wordt doodgereden, de andere komt er met de schrik van af. “De een wordt meegenomen, de andere achtergelaten”, hoorden we zo juist in het evangelie, dat dergelijke voorbeelden aanhaalt van plotse dood op de akker of bij de molen. Dat evangelie situeert zich in de context van de komst van Christus op het einde van de tijden. De advent, die we vandaag beginnen, is de tijd waarop wij de “adventus” de komst van Christus verwachten. Wanneer komt Christus ?.

Het Woord van God is reeds in de wereld gekomen, leren ons de Kerkvaders, in het Oude Verbond “bekleed met de letters” in de schriften van de profeten, in het Nieuwe Verbond “bekleed met het vlees” in Jezus Christus.

Christus zal ook komen op het einde van de tijden. De vraag is dan : wanneer is het einde van de tijden ? Het evangelie geeft daar vandaag een gevat antwoord op. Praktisch gezien, zijn we NU aan het einde van de tijden. Wij buurten bij het einde van de wereld. Wij zijn de tijdgenoten van mensen rondom ons die de komst van de Mensenzoon beleven op het uur dat zij het niet verwachten. Voor hen is, met hun dood, het einde van de wereld aangebroken, onvoorzienbaar.

Vanuit die vaststelling vraagt het evangelie onze aandacht voor de komst van de Heer, en het belicht er drie aspecten van. Het eerste aspect is dat niemand de dag noch het uur kent van de komst van de Heer. Alle speculaties over het einde van de wereld zijn dus totaal nutteloos. Wanneer zal de wereld vergaan ? Wie met een datum komt, miskent het evangelie. Hoe zal de wereld vergaan ? Door de inslag van een grote meteoriet ? Door de ontregeling van de zon ? Door het waanzinnig gebruik van atoombommen, chemische of bacteriologische wapens die alle leven vernietigen op aarde ? Niemand weet hoe of wanneer. Ook het wanneer of het hoe van je eigen dood, waarmee voor je het einde van de wereld geslagen is, ken je niet. Speculaties daaromtrent zijn tijdverspilling.

Een tweede punt is even klaar : de komst van de Heer is altijd
onverwacht. Onze dood zal voor elk van ons als onverwacht overkomen. De
komst van de Heer is zo brutaal als die van de zondvloed. De
mensen in de dagen van Noach vermoedden niets en gingen door met eten
en drinken totdat de zondvloed kwam en hen wegrukte. “Zo zal het gaan
bij de komst van de Mensenzoon”, zegt Jezus. In een van
zijn sermoenen legt Kardinaal Newman de volgende woorden in Jezus’ mond
“Als ik zal aankloppen, dan zullen er maar weinigen gereed staan om Mij onmiddellijk open te doen. Zij zullen altijd nog iets te doen hebben vooraleer te openen. Zij zullen eerst nog moeten bekomen van de verrassing en van de ontsteltenis waarin mijn komst hen zal werpen. … Zij zijn voldaan met op aarde te zijn; zij wensen nergens elders te gaan; zij willen niets anders” (Parochial and plain Sermons, IV, 22). Opdat wij ons niet blindelings zouden installeren op aarde als in een blijvende woonplaats, wordt ons het wachtwoord meegegeven : “weest dus waakzaam, weest bereid, want de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht”.

De christen is vrijgesteld van het vragen naar het hoe en het wanneer van de komst van de Heer. Hij kan al zijn aandacht besteden aan het derde aspect van de komst van de Heer, de waakzaamheid : “hoe kan ik waakzaam leven, zoals de Heer het mij vraagt ?”

Is het al gebeurd dat je ’s nachts moest waken ? Als je comfortabel gaat zitten, dan dommel je in nog vóór je het weet. Om wakend te blijven en niet in te dutten moet je bezig blijven. Je moet op gang blijven : je kan wat rondlopen, je bezig houden met wat je interesseert, of nog met het slurpen van straffe koffie.

Bij het geestelijk waken liggen de kaarten evenzo. Je moet geestelijk actief blijven en voortgaan met je geest op scherp te houden, en het luisteren naar Gods Woord kan je dienen als geestelijke straffe koffie. Waken betekent aandachtig zijn nu aan wat er gaande is nu. “Het is nu het oordeel van de wereld”, zegt Johannes (12, 31). Het Johannesevangelie stelt zeer duidelijk dat het oordeel op het einde van de tijden plaats grijpt, nu. Het is nu dat Jezus naar ons toe komt, het is nu dat wij naar Hem luisteren of niet luisteren. Het is nu dat wij handelen naar zijn woord of er niet naar handelen, en uiteindelijk is het oordeel verbonden aan het al of niet ontvankelijk staan voor zijn aanwezigheid. Waken is de Heer aan de deur horen kloppen, nu, en Hem aandacht schenken in hetgeen waarmee wij bezig zijn, nu.

Waakzaam zijn heeft dus niets dat koortsachtig is of gespannen. Het is leven in de tegenwoordige tijd bij het trouw vervullen van de persoonlijke zending. Als jij je door Jezus gezonden weet, dan doe je alles in relatie met Hem, dan ben je wakend. Waakzaam zijn, dat is dankbaar je talenten gebruiken, bewust dat jij ze van de Heer gekregen hebt om ze Hem terug te geven. Waakzaam zijn, dat is ook de lamp van je geloof brandend houden met de olie van de naastenliefde. Waakzaam leven betekent : in plaats van geleefd te worden, gedrongen door de omstandigheden, bewust het leven in handen te nemen en het zijn volle zin te geven. Waken is nog, om het met de woorden van Paulus te zeggen : “ons ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met licht” (Rom 13, 12).

Jezus eindigt zijn betoog met de parabel van de dief. Moest je weten waar en wanneer de carjacker zal toeslaan, dan zou je alvast achteraan in je wagen een paar politiemannen verbergen. De komst van de Mensenzoon vergelijken met het toeslaan van de dief kan ons verbijsteren. Het spreekt met helle kleur tot de verbeelding. Er gebeurt iets totaal onverwachts, zoals die revolver van de carjacker die je plots onder je neus geduwd krijgt. Zelfs als we Hem verwachten zal de komst van de Heer ons verrassen : het plots ontwaren van zijn, voor ons onvoorstelbare, oneindige liefde, zal bij ons inslaan als iets oneindig onverwachts.

God komt tot ons. Dat gaat alle verwachting te boven.

Zoeken in Preken Online