Aarde donker

A-cyclus · Advent · 1e zondag van de Advent · paars

Boven op de berg woonde de ziener, de profeet. Buiten was het koud en klam, maar binnen knapperde het haardvuur. Boven op de berg, als een topambtenaar: heel warmpjes, heel alleen. Geïsoleerd. Toch trok er een huivering door hem heen, van onbehagen en har­tenkou. Want als hij door zijn dubbele ramen naar buiten keek zág hij niets. Dat is nogal vervelend voor een ziener. De wolken hingen laag - of hoog - hoe zeg je dat. Alles was ondoorzichtig en grijs, zelfs het spaarzame groen, dat blauwig leek. Mist, nevel, onbestem­de droevigheid. En hij hóórde ook niets - echt lastig voor een pro­feet. Geen vogeltje, geen hond, geen mens, geen God. Alles werd ingepakt en afgedempt in wolken als watten. Nog niet de echo van een stem was te horen.

De profeet zuchtte diep en zei bij zichzelf: ‘Ik zie niets, ik hoor niets, ik daal af’. Zo gezegd, zo gedaan. Na lunchtijd, om halftwee precies, trok hij een oude duffelse jas aan; hij zette de verwarming laag en daalde af. Hij hoefde enkel het water te volgen dat naar beneden donderde, de laatste bomen en humusresten met zich mee­sleurend.

Sneller dan hij gedacht had, was hij beneden. En geschrokken keek hij om zich heen. Het avondlicht streek over een verwoeste aarde, platgebrande steden, uitgewoonde hoeven, verzuurde akkers. Achter prikkeldraad hongerkinderen. Achter schuttinkjes afgedankte vrou­wen. Hoog te paard reed onrecht langs de wegen. Geluiden waren er ook: een blaffende hond in de verte, dichterbij flarden radio­muziek (iemand zocht een zender die niet te vinden was). Een op­trekkende jeep, gemompel, gelaarsde voetstappen. Lawaai maar geen leven. Geen levend woord. Verbijsterd stond daar onze pro­feet. Een grote woede kwam in hem op - maar groter was de machteloosheid.

De nacht viel, en de duisternis bedekte alles en alles. Niets meer te zien. En wat nog erger was: de geluiden verstomden, losten op in een stilte die nog beklemmender was dan op zijn bergtop. De ziener ging spoken zien en stemmen horen. En werd bang. Wie afdaalt komt niet alleen in het slijk terecht maar ook in de angst die kolken kan. Zwart zijn ziel, aarde donker. Hij vroeg: ‘Hoe moet ik zien in het donker? Hoe kan ik spreken als ik niets te horen krijg?’ Hij leg­de zich neer om te slapen, maar de slaap wilde niet komen.

Op zijn gesloten oogleden, die nacht, voelde hij plotseling de aarze­lende warmte van vingers. Naast hem zat een meisje, jong en ma­ger, in lompen gekleed. Verlegen glimlachte ze, en zei: ‘Je moet je ogen opendoen’. En ze haalde haar hand weg van zijn gezicht. Gefascineerd staarde hij haar aan: haar gelaat gloeide, haar ogen waren als gloeiende kooltjes. ‘Nee’, sprak zij, ‘mij niet aankijken. Kijk het donker in, omarm de duisternis, dán zul je zien’.

Als in een droom (misschien wás het wel een droom) ging hij recht­op zitten en tuurde de nacht in. Eerst zag hij niets, natuurlijk. Maar naarmate de vrees voor het duister wegebde, ging hij zien wat er te zien was. Boven hem: sterren, fonkelend in het inktzwarte, twee-­drie-ontelbaar. En voor hem uit ontwaarde hij een zwak lichtschijn­sel achter ramen, in huisjes van sappelaars en bijstandsmoeders. Links van hem, en rechts: overal sporen van licht en vermoedens van warmte. Hij draaide zich om en zag een vuurton waar omheen enkele zwervers zich stonden te warmen.

Bijna was hij het meisje vergeten, maar zie, nu raakte zij zijn oren aan. ‘Ga open’, sprak zij, ‘bemin de stilte en je zult horen’. Ingespannen spitste hij zijn oren. En naarmate hij de stilte eerbiedigde en lief kreeg, kwam die tot spreken. Mensenklanken hoorde hij. Het lachen van een kleuter in zijn droom. Het huilen van een man (onwennig, eindelijk ontwapend), het schreeuwen van een vrouw om recht, en het roepen van ontelbare mensen. ‘Heilig’, dacht hij, ‘heilig, heilig’.

Het meisje sprak: ‘Nu kun je zien en horen, nu mag je gaan spre­ken’. Ze stak haar hand uit en raakte zijn lippen aan; het was alsof ze gloeiden, en de topambtenaar die ziener en profeet was stond op. De zon was al op, het daglicht ging aan.

‘Je zult ook nog leren zingen’, zei het meisje, dat aanstalten maakte om te verdwijnen. ‘Hoe heet je?’, wilde hij nog weten. ‘Had je dat nog niet geraden?’, kaatste zij terug. Een parelend lach­je - en weg was ze.

Maar hij trok het land in, dieper en dieper. Zijn blikken doorklief­den de schemering der mensen, zijn woorden striemden ongenadig over vriend en vijand. Hij zag wat is, en zei wat hij zag. Tegen de machthebbers:
Wee over jullie, opkopers, omkopers,
het recht verkrachtend, de armen verachtend.
Geen vrede voor jullie, mooipraters.
Je roept het onheil over jezelf af,
je haalt verwoesting dichterbij.
Jullie laatste uur heeft geslagen.
Dat zei hij, en nog veel meer, en veel harder. Hij werd die hij was: een pleitbezorger van armen en beroofden. Tot hen sprak hij, vol genade:
Ach, volk van mij: troost, troost.
Laat toch niet het zwarte je verslinden,
laat niet de smart jullie opvreten.
Baan een weg - er komt een andere tijd.
Ik ben er ook nog - en het is al begonnen.
Dat zei hij. En nog veel meer. Eerst lachten de machthebbers om hem, maar ze moesten sidderen en beven, toen de armen wegen gingen banen metterdaad, en er waren voor elkaar. Inderdaad: het was al begonnen.

Toen zag hij ook wat nog niet is. Hij droomde hardop en kwam tot zingen. Over de hemel opengescheurd en licht overal. Over de berg van Sion en een nieuwe aarde: eindelijk recht, eindelijk vrede. Over zwaarden omgesmeed en een tronk die een twijgje droeg. Over lammetjes met wolven spelend, over kleuters die adders aaien. Zijn lied groeide en werd groter dan hijzelf. Soms kon hij zijn eigen visioenen nauwelijks bijhouden.

Zoveel en veel meer kan gebeuren, als je je hoogte verlaat en af­daalt. Daar in de diepte heeft hij zijn geluk gevonden, zijn roeping. Zie hem daar staan, roepend naar ons, zo hooggezeten…

Zoeken in Preken Online