Wat de mensen deden in de dagen van Noach, wat ze zullen doen als de Mensenzoon komt, is precies wat ze nu doen. Het is wat mensen altijd doen: “eten en drinken, huwen en ten huwelijk geven”, werken “op de akker en aan de molen”, aan de molen van het leven.
In Noachs tijd en in Jezus’ tijd, nu en in de toekomst, was er en is er en zal er altijd zijn een soort druk op de harten en op de geesten, - wie weet van waar hij komt? Hij schijnt van onszelf te komen -, waardoor wij wanhopen en hopen dat het leven niets méér is dan werken en eten en drinken en huwen en datzelfde leven weer doorgeven. Het leven is vanzelfsprekend. Het is niet vanzelfsprekend iets anders te verwachten, Iemand anders te verwachten, zijn ziel te verheffen.
Er is tóch iets meer. Er is tóch Iemand die komt. Hij ploegt ons werken en eten en drinken, ons huwen en heel ons leven helemaal open. Zijn zaad zaait Hij op onze “akker”. De druk die op ons hart weegt, de steen op ons graf neemt Hij weg. Zijn licht stroomt onze geest binnen. Naar dat licht hebben wij nu eens twijfelend, dan weer met groot verlangen uitgekeken. Als we opstaan van onze rijke of arme tafel, als we de laatste grendel opzij schuiven, als we de deur openen, waarachter we onze soft drugs nemen, zien we dat we ons niet vergist hadden: er was tóch een Vreemdeling die aanklopte. Als we Hem binnenlaten is Hij het die zijn gaven bovenhaalt en die voor ons zijn Brood wil breken, een heel nieuw jaar Lang, een jaar van werken en eten en drinken, van huwen en nu ook van spreken met Hem.
Als we opstaan… De Advent is een tijd van opstaan en verheffing. Ad Te levavi animam meam. Wij kunnen opstaan uit ons natuurlijk bestaan. Wij worden opgeroepen om onze ziel, om het diepste van onszelf te verheffen, om te luisteren naar het hoogste lied.
Matteüs schrijft over “de dagen van Noach”, over het vanzelfsprekend bestaan. Hoe vanzelfsprekend is dat bestaan? Wie zijn ziel niet tot God verheft, verglijdt in de banaliteit en in de verveling, duikt onder in de verdoving en in de roes, zinkt weg in de nacht die geen licht toelaat, in de “duisternis van braspartijen en drinkgelagen, van ontucht en losbandigheid, van twist en nijd”. Wie zijn ziel niet tot God verheft, verlaagt haar en hij weet het, want het leven is niet vanzelfsprekend. Het spreekt over de Gever van alle leven of het zegt steeds minder om tenslotte te beweren dat niets iets betekent, dat alles niets is. Er is geen derde weg.
Wie zijn ziel tot God verheft hoort de Psalm die in hem begint te zingen, ad Te levavi animam meam, eerst heel zacht en van heel ver, hoog boven het grommen van zijn buik. Hij oefent opnieuw zijn oor, hij trekt zijn eigen stem op, tot hij leert meezingen, op de juiste, zuivere toon. “Laat geen van mijn vijanden de spot met mij drijven! Niemand die U aanroept wordt vernederd”!
Wie zich door Matteüs en Paulus laat wekken en met de Psalm antwoordt: “ik heb mijn ziel tot U geheven”, ontdekt dat hij met vele anderen, zingend door de stroom gedragen wordt van allen die optrekken naar “de berg waarop Jahwe’s tempel staat”. Wie de Wet van het opstaan aanvaardt, ontdekt dat “het Woord van Jahwe” “de speren” die in ons lijf steken “tot sikkels” omsmeedt en dat het “wegen” wijst naar werk en “paden” voor de rust. Hij geeft dankbaar toe dat hij eigenlijk wil leven.
Wie opstaat van zijn rijke of arme tafel, wie opstaat “uit de slaap” en mee optrekt naar het heiligdom, mag zijn drugs voor altijd vergeten. De druk valt al van hem af…
1e zondag in de advent A
A-cyclus · Advent · 1e zondag van de Advent · paars