“U weet trouwens hoe laat het is, dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken.” (Romeinenbrief, 13:11)
“Want zoals in de dagen van de zondvloed de mensen aten en dronken,
huwden en uithuwelijkten, tot de dag waarop Noach de ark binnenging en
ze niets wisten totdat de zondvloed kwamen hen allemaal
wegrukte, zo zal het ook gaan bij de komst van de mensenzoon.”
(Mattheüs, 24:38v.)
In alle katholieke kerken wordt dit weekeinde nieuwjaar gevierd.
De eerste zondag van de advent luidt het begin in van een nieuw
kerkelijk jaar. Maar van dat nieuwjaar is bijna niets te merken, want
er is geen enkele feestelijkheid mee gemoeid. Er hangt wel al
feestelijkheid in de lucht, maar die betreft de voorbereiding van de
burgerlijke (en commerciële) nieuwjaarsfeesten.
Christenen heb en hun eigen feestkalender. Wij mogen ons die kalender
niet laten afpakken of hem zelf afschaffen. Misschien moeten we die
eigen kalender scherper in de verf zetten, om duidelijk te
maken waarin christenen steeds meer van andere mensen gaan verschillen.
Alle grote godsdiensten hebben hun eigen kalender: hun herdenkingen,
feesten en vieringen die tekening en kleur aanbrengen in de
opeenvolging der dagen en die het ritme van de tijd bepalen. Die
indeling van de tijd verschilt van godsdienst tot godsdienst. Voor
moslims is de vrijdag wat voor christenen de zondag is, en voor joden
is dat de zaterdag. Dat is het zichtbaarste voorbeeld, naast
dat van het verschil tussen de christelijke veertigdagentijd en de
vasten van de moslims in de ramadan-maand. Maar het is niet het
belangrijkste voorbeeld. Veel belangrijker is de grote kalender, die
van de jaarindeling en de indeling van de opeenvolging der jaren.
Hoe belangrijk dat is, kunnen we al zien aan de eigen kalender van
iedere familie. Want iedere familie heeft een eigen kalender: die van
de verjaardagen, van de geboorten, de huwelijken, en de
overlijdens. In sommige gezinnen en families wordt daar veel meer
belang aan gehecht dan in andere, maar bij iedereen speelt de eigen
kalender een essentiële rol. Onze kalenders bepalen wie wij
zijn. Ze zijn een antwoord op de vraag waar we vandaan komen en waar we
naartoe gaan. Ze geven de hechtingspunten aan van ons leven, de grote
verbanden waarbinnen ons leven zich afspeelt, de
mijlpalen van onze persoonlijke geschiedenis en onze verbondenheid met
andere personen.
De christelijke kalender bepaalt wie wij zijn en wat wij te doen hebben
als christen. Hij bepaalt de indeling van de dagen in weken, rond de
ankerpunten van de opeenvolgende zondagen. Hij geeft de
structuur aan van het jaar in perioden en seizoenen, rond de
ankerpunten van de hoogdagen. Pasen, de lente; Maria Hemelvaart, de
zomer en de oogst; Allerheiligen, de herfst; Kerstmis, de winter. Hij
geeft een eigen kleur aan elke dag. Elke dag heeft zijn heilige en elke
heilige is op zijn of haar manier een voorbeeld van christelijk leven,
zijn of haar feest is een dankbare viering van wat
christenen voor hun medemensen hebben betekend.
De christelijke
kalender is het grote erfgoed van de christelijke beschaving. Nog
altijd toont hij duidelijk de christelijke wortels van de hedendaagse
cultuur die haar christelijk karakter stilaan
helemaal kwijt geraakt. Kerkelijke hoogdagen zijn officiële burgerlijke
feestdagen. Ook het omgekeerde is gebeurd. Denk aan de eerste mei: de
burgerlijke feestdag die ontstaan is als een
oppositiefeest van de socialistische arbeidersbeweging, maar stilaan
ingeburgerd en officieel vastgelegd als het feest van de arbeid. De
kerk is gevolgd met een eigen christelijke viering van de
arbeid. Een ander voorbeeld is de profane viering van nieuwjaar, door
de kerk overgenomen en omgezet in een eigen christelijk feest.
Op weinig uitzonderingen na vallen alle topmomenten van de kerkelijke
kalender samen met die van de burgerlijke kalender. Maar de profaan
geworden burgerlijke samenleving, de gecommercialiseerde
cultuur heeft de christenen hun eigen feesten afgepakt. Ze heeft er een
eigen invulling aan gegeven die niets meer met hun christelijke
zingeving heeft te maken. Wie zien dat nu al weer volop bezig,
met Sinterklaas, kerstmis en nieuwjaar die tot één grote commerciële
bedoening en een collectieve feestroes ineenvloeien. En waar zijn de
mensen die zich christen noemen te vinden
die daar niet van harte aan meedoen?
Dit weekeinde hebben we een
grote, misschien wel de belangrijkste uitzondering van een kerkelijke
kalenderdag die niet samenvalt met een apart moment van de burgerlijke
kalender. Het kerkelijke, het
christelijke nieuwjaar. Die viering zal men ons ongetwijfeld niet
afpakken. Maar we mogen er dan ook niet achteloos aan voorbijgaan.
Natuurlijk zou het geen zin hebben aparte christelijke
nieuwjaarskaartjes te gaan schrijven en aparte nieuwjaarswensen in te
voeren, minder dan een maand vóór het ’echte’ nieuwjaar. Wat ik wil
zeggen is dit: we mogen de gelegenheid van dit
aparte kerkelijk nieuwjaar niet laten liggen. Het is de gelegenheid om
ons nadrukkelijk voor de geest te halen waarin het eigen karakter van
de christelijke kalender bestaat.
De christelijke kalender bepaalt wie wij zijn als christen, hij toont
een antwoord op de vraag waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan,
hij geeft de grote hechtingspunten van ons leven aan,
hij detailleert de structuur en de tekening van ons leven.
Nieuwjaar op de kerkelijke kalender zet het antwoord op de vraag waar
we naartoe gaan apart en dik in de verf. Het trekt de horizon helemaal
open naar het definitieve eindpunt van de hele
geschiedenis. En vanuit dat eindpunt wordt een eigen licht geworpen op
de grote vragen over wat ons te doen staat.
Het evangelie dat wordt voorgelezen, klinkt nogal dreigend. Pas op!
Leef er niet zomaar op los, zoals in de tijd van Noach, toen de
zondvloed op komst was en ongeveer niemand het had zien aankomen.
Er kunnen belangrijke, beslissende dingen voorvallen. Dingen,
inderdaad, die we moeten vrezen, maar vooral ook dingen die een
vervulling brengen van onze echte verlangens. Maar we zullen er niets
van
merken als we onbedachtzaam leven.
Waardoor wordt ons leven in
beslag genomen? Eten en drinken, vrijen en trouwen, voor het huishouden
zorgen, werken, vergaderen, ontspanning, enzovoort enzovoort. Veel
routine, plichtsvervulling en
ook plichtverzuim, genoegen en pijn, vreugde en verdriet. Daar is niets
tegen te zeggen, het heeft allemaal zijn belang. Maar wat is het
uiteindelijke belang, waar zijn we uiteindelijk, ten diepste
en ten laatste mee bezig? Bij zulke vragen moeten we regelmatig eens
stilstaan. Bij de vraag omtrent de ankerpunten en de wegwijzers van het
leven. Bij de grote kalender waardoor we ons leven laten
bepalen. Bij de stem van onze diepste verlangens, onder de oppervlakte
van wat ons dagelijks bekommert.
Het kerkelijk nieuwjaar is telkens het begin van de voorbereiding op
kerstmis. Het is de tijd waarboven het begin van de christelijke
geloofsbelijdenis in hoofdletters staat geschreven: dat God
omwille van ons, mensen, en omwille van ons heil, zelf mens is geworden
en onder ons is komen wonen. God vindt mensen zozeer de moeite waard
dat hij ons menselijk leven is komen delen, tot in een
smadelijke dood. Dat is het beslissende gebeuren waarop de christelijke
kalender is gebouwd. Wij delen de geschiedenis van haar begin tot haar
einde in de tijd vóór Christus en de tijd
na Christus. En die tijd doen wij uitmonden in het moment waarop
Christus zal terugkomen, om definitief te voltooien wat eenmaal is
begonnen. Sinds dat begin, zegt Paulus, is de nacht ten einde en is
de dag aangebroken. Wij leven in het licht en moeten ons wapenen met
het licht. Onze christelijke kalender tekent de momenten van de
fundamentele spanning tussen de levend gehouden herinnering en de
onverwoestbare hoop. Ons leven staat gegrondvest op die herinnering en
wordt gedragen door die hoop.
In dit perspectief wensen christenen vandaag elkaar een zalig
nieuwjaar. Ze wensen elkaar dat ze kracht mogen blijven putten uit de
christelijke herinnering en de richting van hun leven mogen
blijven vinden in de christelijke hoop.
1e zondag in de advent A (2001)
A-cyclus · Advent · 1e zondag van de Advent · paars