Ons leven geeft soms de indruk nogal banaal te zijn. We staan op, kleden ons aan, ontbijten, gaan werken of blijven thuis. We lezen de krant, babbelen eens met de buren, de collega’s of de baas, we staan in de file of zitten in een overvolle trein, bus of metro. We hebben een afspraak bij de tandarts of de kapper, we kijken wat T.V., we gaan misschien eens weg, praten nog wat met onze ouders, kinderen of kleinkinderen, en gaan slapen. Weer zit een dag erop.
Zusters en broeders, zo ongeveer beschrijft Jezus de tijd van Noach: de mensen gingen gedachteloos door met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven, ze vroegen zich nooit eens af: Waarmee zijn we eigenlijk bezig? Ze werden meer geleefd dan ze zelf leefden. En die Noach met zijn ark, die vonden ze beslist een rare kwast: wie bouwt er nu in godsnaam een boot als er nog in geen honderd kilometer water te bespeuren valt. Maar voor ze het goed beseften, werden ze overspoeld door de zondvloed.
En zo vergaat het ook ons als we niet opletten: ongemerkt glijden de dagen door onze vingers, we doen geen kwaad, maar ook geen goed, we stellen ons geen enkele vraag. En voor we het goed beseffen worden we overspoeld door onverschilligheid en dofheid. We liggen nergens wakker van, het gaat ons eigenlijk allemaal niets meer aan: wat er gebeurt in de wereld, wat er gebeurt rondom ons, de armoede, de hardheid, het ieder-voor-zich, het ongeloof: het dringt niet tot ons door. We leven maar wat aan, we dompelen onszelf in een gedachteloze winterslaap, we verwachten niets meer. Maar, wat is een leven zonder verwachting? Wat is een dag zonder verlangen, wat is een avond zonder de droom van morgen, wat is een winterslaap waaruit geen lente-ontwaken volgt?
Welnu, zusters en broeders, dat is advent: een tijd van ontwaken en van verwachting. We kijken uit naar de komst van de Heer. Niet alleen met Kerstmis, maar elke dag, ook vandaag en morgen en overmorgen en alle dagen van de week, heel ons leven, hier en nu. We kijken uit naar zijn komst, naar het doorbreken van zijn rijk in deze wereld. Zijn rijk van gerechtigheid en vrede en licht. We leven niet zomaar wat aan, als slaapwandelaars bij volle dag, nee, we leven in de verwachting van zijn komst. En die komst, die willen we niet missen door onachtzaamheid of onverschilligheid.
Advent is dus ook een tijd van waakzaamheid, want de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht, hoorden we in het evangelie. Dan zal de een worden meegenomen, de ander achtergelaten. Dat zien we ook vandaag: de een wordt meegenomen door wat hij hoort, ziet of leest, de ander blijft onverschillig. De een laat zich beroeren door ellende van mensen, de ander blijft onbewogen. De een zet zich in voor de parochie, voor liefdadige organisaties, voor zijn evennaaste, de ander zegt: dat is mijn zaak niet. De een merkt de kleine tekenen van Gods aanwezigheid midden onder ons, de kleine gebaren van liefde, van verzoening, van inzet, van vrede; de opbeurende glimlach naar wie in de put zit, de schouderklop voor wie het moeilijk heeft, de gift voor de bedelaar in de metro, de milde bijdrage voor Welzijnszorg: kleine tekens van waakzame mensen die in beweging komen op Gods uitnodiging. De een ziet ze, de ander is ziende blind.
En ten slotte, Advent is een tijd van hoop. Er is zoveel onrust, zoveel twijfel, zoveel moedeloosheid, zoveel wanhoop rondom ons. Welnu, zusters en broeders, als christen zijn wij een teken van hoop. God is ons nabij, Hij is niet ver voor wie Hem zoekt, voor wie Hem toelaat in zijn leven. Hij leeft waar wij gemeenschap vormen, Hij woont waar wij broers en zussen zijn voor elkaar. “Hij zal ons zijn wegen wijzen en wij zullen zijn paden bewandelen,” zegt Jesaja in de eerste lezing. Hij is onze hoop en Hij leeft in ons, zodat wijzelf hoop kunnen worden en blijven voor anderen, voor onze medemens, vooral voor onze medemens in nood.
Want ook dat is Advent: meer nog dan anders aandacht hebben voor onze medemens in nood. Welzijnszorg helpt ons daarbij met zijn jaarlijkse campagne. Dit jaar staat die in het teken van ‘schuld’, niet in de betekenis van fout, maar van een financiële put waaruit ontkomen onmogelijk lijkt. “Schulden. Wie wordt er beter van?” luidt de slogan. Op de ranglijst van de meest welvarende landen ter wereld prijkt België al jarenlang in de top vijf, maar dat belet niet dat in dit dus bijna rijkste land ter wereld niet minder dan 400.000 mensen met zware schuldproblemen zitten. Zo zwaar dat ze er zonder hulp niet uitgeraken. Welzijnszorg wil dat probleem onder de aandacht brengen, onder meer door de schandalige praktijken van een aantal kredietverstrekkers aan de kaak te stellen. Ook onze hulp wordt daarbij verwacht. Want wij, wij mensen van de hoop, wij, mensen van de blijde verwachting, wij kunnen en willen op onze beurt een teken van hoop en verwachting zijn voor anderen.
Laat dat onze advent zijn, zusters een broeders: een tijd van verwachting, een tijd van waakzaamheid, een tijd van hoop. Voor onszelf en, door ons, ook voor anderen. Amen.