Eerste lezing uit het boek Samuel
In die tijd voelde koning Saul zich bedreigd door zijn veldheer David die hem wilde ombrengen.
Daarom begaf koning Saul zich, met een leger van 3000 soldaten, naar de woestijn van Zif,
waar David zich schuilhield.
Bij aankomst overnachtten ze ter plaatse in tenten.
Het gelukte David, om met een vertrouweling, ongemerkt het kamp van de koning binnen te sluipen.
Daar zijn lijfwachten ingedommeld waren, drongen ze zelfs door tot in de tent waar de koning sliep.
De lans van koning stak in de grond aan het hoofdeinde van zijn bed.
Nu fluisterde de medewerker van David tot hem:
“ Dit is een unieke kans, zie je niet dat God zelf uw vijand aan u overlevert. Wil ik hem met zijn eigen lans door het hart steken? Eén stoot en hij is er geweest!” Maar David sprak:
“Nee, dood hem niet. Deze man, Saul, is door God gezalfd, en ik wil de hand niet tegen hem opheffen!”
Toen nam David, in alle stilte, de lans en de waterkruik mee, die aan het hoofdeinde van het bed stonden, en ze trokken zich ongemerkt terug.
Al de wachters bleven gewoon doorslapen.
Toen David ver genoeg uit het bereik van Sauls leger was ging hij op een heuvel staan en riep:
“Koning, hier is uw lans, als je hem terug wil stuur dan een soldaat om hem te komen halen!
Want God zelf had u vannacht aan mij overgeleverd
maar ik heb de hand niet willen slaan aan Zijn gezalfde. Moge hij mijn trouw vergelden!”