Gelezen uit het boek Numeri (6, 22-27), Psalm 67 (ged.), de Galatenbrief (4, 4-7) en het Lucasevangelie (2, 16-21).
En, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk, waar wás U gisteravond met de jaarwisseling?
Was U thuis of ergens op bezoek?
Was U alleen of met iemand of met méér mensen samen.
Was U nog óp toen de klok twaalf sloeg?
Als U met iemand of met méér mensen samen was hebt U elkaar ongetwijfeld een “Gelukkig Nieuwjaar”, een “Gelukkig 2009” gewenst. Als U alleen was hebt U wellicht iemand of zelfs een paar mensen gebeld.
Nu heb ik een vraag daarover, dierbare gasten en parochianen; ik heb een vraag aan U over die wensen zoals die in de situatie waarin U zich bevond afgelopen nacht; hoe daarin die wensen zijn gewisseld. Hoe gebeurde het precies?
Welke woorden werden uitgesproken?
Gebeurde het haastig of rustig en met aandacht?
Keek de ander of keken de anderen U goed aan?
Hebt Uzelf de ander of anderen goed aangekeken?
Was er lichamelijk contact?
Werd er gezoend?
Was het één of waren het twee of drie zoenen die werden gewisseld? Of zelfs meer?
Misschien denkt U intussen wel: Daar heb je hém weer!
Wat is dat voor een gezever, gemiezemaus, gewróet op de eerste dag van 2009?
Dat gaat je trouwens niets áán hoe dat bij mij gebeurde …
Maakt U zich geen zorgen veelgeliefden! Ik vraag U niet om er hier over te vertellen. Ik nodig U alleen maar uit om even terug te denken aan wat er zich in uw leven in de afgelopen nacht rond de klok van twaalf zich afspeelde in de huiskamer en eventueel op straat, of aan de telefoon.
Waarom vraag ik dat?
Ik vraag het U, veelgeliefden, omdat het vandaag over zegenen gaat. In de eerste lezing vandaag hoorden we uit het boek Numeri de tekst van de zogenaamde Aäronitische zegen oftewel de priesterzegen. Die kennen wij goed, want wij besluiten met die zegen altijd onze eucharistievieringen hier in de kerk. Ik of één van mijn collega’s mag die zegen dan zingen en U mag er zingend op antwoorden. Voor mij is het altijd weer een ontroerend en aangrijpend iets om dat te doen. Als gebeuren is het uitoefening van de priesterlijke functie bij uitstek. Altijd weer realiseer ik mij op dat moment: Dóór en vanuit mij spreekt nu “een andere, een hogere werkelijkheid”. Die maakt gebruik van mij. Daarvan ben ik het instrument. En: Wie ben ík dat ik dít mag doen? - de woorden van koningin Juliana bij haar ambtsaanvaarding in 1948.
We hoorden in Numeri dat de Heer aan Mozes de precieze woorden geeft waarmee Aäron en zijn zonen, die binnen Israël het priesterschap uitoefenen, het volk moeten zegenen: “Moge de Heer U zegenen en behoeden! Moge de Heer de glans van Zijn gelaat over U spreiden en U genadig zijn! Moge de Heer Zijn gelaat naar U keren en U vrede schenken”. Dat zijn nog eens woorden veelgeliefden! Ons “de beste wensen” en “Gelukkig Nieuwjaar” steken er wat bleek en magertjes bij af. “Zegenen”, het Hebreeuwse woordenboek definieert het hier gebruikte werkwoord met: “kracht verlenen voor succes, welvaart, vruchtbaarheid”, of: “verklaren dat aan iemand die kracht verleend is”, of: “iemand dat toewensen”. God die jouw kant uitkijkt. God die jou aanziet. Het is iets moois. Het is iets prachtigs. En het is iets groots. “Als zij zó mijn naam over de Israëlieten uitspreken, zal Ik hen zegenen.” God die ter sprake wordt gebracht. Nee, God die zelf spréékt, dóór de monden van mensen heen. Woorden die machtig zijn. Woorden die kracht in zich hebben. Eerst klinken de woorden. En de werkelijkheid vólgt de woorden. De woorden van zegening worden verwerkelijkt. Ik denk, veelgeliefden: Het geldt voor de woorden van God’s zegen die klinken in de kerk. (U hebt er wérkelijk goed aan gedaan om vandaag naar hier te komen. U krijgt hier werkelijk iets heel essentieels). Maar ik denk: Hetzelfde geldt ook voor onze meestal wat aardsere en nuchterder nieuwjaarswensen. Wat je precies zegt tegen mensen en hóe je het precies zegt, dat dóet er werkelijk toe. En mocht U denken, naar aanleiding van deze bezinning er op: Ik heb het afgelopen nacht ten aanzien van die of die eigenlijk toch niet goed gedaan, mijn nieuwjaarswens had te weinig kwaliteit, te weinig inhoud, dan zou ik zeggen: Keer terug naar die persoon en doe het opnieuw. U weet veelgeliefden: God geeft steeds nieuwe kansen, we mogen het eindeloos opnieuw proberen - tot onze laatste snik.
God die de glans van Zijn gelaat over ons spreidt en genadig voor ons is. God die Zijn gelaat naar ons toekeert en ons vrede schenkt. Ons geloof is, veelgeliefden, dat in Jezus die in Bethlehem geboren werd en die de herders daar vonden mét Maria en Jozef, liggend in een voerbak; ons geloof is dat in die Jezus God’s zegen op een unieke manier voor ons allen vlees en bloed geworden is en geconcretiseerd is geworden. De woorden die de herders van de engel van God gehoord hadden over de pasgeboren Jezus, dat Hij de Redder is, de Messias, de Heer; die woorden die brachten ze over, die spraken ze uit daar bij die voerbak. Op die manier werden de herders zelf in zekere zin engelen, want het woord “engel” betékent “boodschapper”. En “Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht erover na”. Maria, veelgeliefden, is niet alleen de moeder van Jezus, maar zij is ook ónze moeder, zij is ook de moeder van de Kerk. Maria is de volmaakte weerspiegeling van die glans van God’s gelaat in Jezus haar zoon. Om met Hem te zijn, kunnen we dan ook niet beter doen dan een voorbeeld nemen aan haar, aan Maria. Laten we dus doen wat zíj doet. Laten ook wij “dit alles” wat de herders vertellen bewaren en koesteren in óns hart en erover na blíjven denken. God’s werkelijkheid zoals die in Jezus Christus tot ons gekomen is veelgeliefden, die werkelijkheid is onuitputtelijk. In elke tijd kan elk afzonderlijk mens in Hem vinden en uit Hem putten wat hij of zij nodig heeft in zijn of haar leven om gelukkig te zijn en om in vrede te zijn - hóe moeilijk de levensomstandigheden van iemand eventueel ook kunnen zijn. Paulus, in zijn Galatenbrief, waaruit wij ook hoorden voorlezen, schrijft: “God heeft de Geest van Zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader!” Ja, veelgeliefden, dát woord vooral, het woord “Abba”, dat “Vader” betekent; dat woord vooral én de werkelijkheid die eraan beantwoordt heeft Jezus in ons hart willen zaaien: opdat wíj, zoals Hij, God mogen ervaren als een liefhebbende Vader. Dát bewustzijn is reddend. Het maakt vrij en gelukkig. Van harte wens ik U toe dat het voor U in 2009 zó mag zijn. Amen.