Zalige Hoogdag van Allerheiligen en Allerzielen
Maria Loyson werd geboren in 1890 te Slypskapelle nabij Dadizele. Zij was de oudste dochter van Francis Loyson en Louise Versavel. Louise was eerst getrouwd met Charles Reverez, had met hem drie kinderen: Flavie, Camiel en Staf. Zij hertrouwde met Francis Loyson en kreeg nog vijf kinderen: Maria (zie foto), Jules, Martha, Leon en Achiel (mijn vader). De kinderen kregen een Christelijke opvoeding en gingen elke zondag naar de parochiekerk van Slypskapelle en soms ook naar Dadizele, meestal dan ter gelegenheid van de feestdagen van O. L. Vrouw. De afstand bedroeg maar ‘n viertal km.
Maria werkte na haar schooljaren mee op de boerderij maar toen zij 21 werd trad zij in (op 8 sept.1911) bij de Kanunnikessen-Missionarissen (zusters van ‘De Jacht’) die toen hun noviciaat nog hadden te Roeselare. Zij kreeg bij haar eerste geloften van sept. 1913 de kloosternaam Dame Marie Gonzague, Dame zoals toen in de congregatie gebruikelijk was. Mevrouw Demeester uit Roeselare is de stichteres van die zustercongregatie.
Na 11 maanden verdere opleiding, toen de oorlog 14-18 uitbrak en Duitse troepen, begin augustus 14, België en Frankrijk binnen vielen, werd zij vroegtijdig naar de missie gezonden. Men vreesde dat zij omwille van de oorlog niet meer zou weg geraken. Zij reisde dus samen met een medezuster naar Marseille om daar met de boot Corona naar de Kleine Antillen te varen en daar andere zusters te vervoegen om er te werken in het onderwijs.
Na een reis op zee van drie weken kwamen ze eindelijk in zicht van het eiland Saint Croix. Zij schrijft daarover: Het was indrukwekkend en aandoenlijk om voor de eerste maal het eiland te aanschouwen waar wij, misschien voor de rest van ons leven, zouden werken om zielen voor de hemel te winnen (brief van 27 sept. 1914).
Op dat eiland waren er drie katholieke en negen protestantse scholen. Saint Croix behoorde samen met de zeven andere kleine Maagden eilanden aan de Verenigde Staten. Het onderwijs was er in het Engels. In haar school waren er om te beginnen 300 leerlingen. Na de schooluren en in de vakantiedagen ging zij samen met een andere zuster huisbezoeken doen bij de mensen om eventueel de ouders uit te nodigen hun kinderen bij hen naar school te sturen. Zo wonnen zij elk jaar een twintigtal leerlingen bij. Frederiksted, het stadje waar de zusters woonden en werkten, had maar een duizendtal inwoners en er waren ongeveer 60.000 inwoners op gans het eiland. De kleine Antillen en de Maagden eilanden liggen in de Caribische zee in de omgeving van Haïti.
Wat Dame Marie Gonzague kenmerkt in een brief van zes jaar later, toen de zusters ook begonnen waren met een afdeling voor leprozen, dan vraagt zij op het einde van haar brief: Bidt veel voor onze werken opdat wij veel bekeringen mogen hebben en dat wij de mensen kunnen leren Jezus te kennen en te beminnen. Wij vragen ook aan onze lieve kinderen op school - en toen zijn er al 400 leerlingen - te bidden voor onze families in België (25 nov. 1920).
Kort daarna moet zij door de hogere oversten benoemd zijn geweest voor de missie in Zuid-Indië. Wel met spijt in het hart nam zij na haar afscheid de boot naar Marseille terug. Daar aangekomen moest zij een paar weken wachten op de boot voor Indië. Zij kreeg toelating om met een medezuster haar familie te bezoeken in België. Dat was in het voorjaar van 1921. Haar moeder Louise, die sinds 1907 weer weduwe was, woonde samen met haar twee zonen Leon en Achiel op een hofstede in Koolskamp. Met paard en sjees werd Dame Marie Gonzague samen met haar moeder rond gevoerd bij de familie, eerst bij Flavie in Oekene en dan bij Camiel in Poelkapelle, beide uit het eerste huwelijk van Louise. Die twee waren getrouwd en hadden kinderen. Haar halfbroer Staf was uitgeweken naar Amerika, Jules was gestorven eind 1914 gedurende de vlucht naar Frankrijk, Martha haar jongere zus stierf aan een hartziekte op de Franse boerderij waar zij als vluchtelingen onderdak gevonden hadden tot aan de wapenstilstand van 1918. Haar drie broers, Camiel, Leon en Achiel waren gans de oorlog soldaat aan het ijzerfront. Dat alles kreeg Dame Marie Gonzague te lezen in brieven van de familie: veel pijnlijke en droevige berichten die ze alleen te verwerken kreeg op het verre eiland Saint Croix.
Van de bootreis Marseille-Indië weten we niets maar ze kwam veilig toe in Nagercoil in Zuid-Indië. Daar heeft ze na korte tijd als schoolhoofd en overste van een gemeenschap van Belgische en later ook Indische zusters de volle maat van haar krachten en talenten ingezet. Zichzelf vergeten voor de anderen was om zo te zeggen een tweede natuur van haar geworden. Zo wist ze de sympathie van allen te winnen en was zij een voorbeeld voor haar medezusters. De school kwam tot hoge bloei onder haar bewind. In 1948 hadden zij 1500 leerlingen met 140 internen en 30 weeskinderen. Zij hadden een bakkerij en een boerderij met 25 koeien en heel wat varkens. Wel 200 personen bleven elke schooldag eten bij hen op de missie. Enkele zinnen uit haar brieven:
-
Sinds juli 1936 zijn wij een nieuw werk begonnen voor het onderwijs in de dorpen door onze nieuw gevormde catechisten (brief van 19 juli 1936).
-
Op een brief die ze van de familie ontvangen had antwoordde ze aldus: Zeker en vast heeft Onze Lieve Vrouw van Dadizele u heilige vreugde geschonken. Die vreugde nam ook telkens bezit van onze ziel wanneer we op haar feesten in Dadizele gingen bidden. Maakt u verder geen zorgen om mij, goddank stel ik het voort opperbest en ben ik overgelukkig (26 nov. 1933).
-
Een anekdote die ik las in een van haar brieven waarvan ik de datum niet meer weet: We zijn met vier zusters op uitstap geweest naar het uiterste zuidpunt van Indië en we stonden daar op de rotsen aan de rand van de zee te kijken naar de wilde baren die aanbeukten tegen de rotsblokken en die het water hoog deden opspatten. We waren zo onder de indruk van dat heerlijk schouwspel aan de Indische oceaan dat we samen het Te Deum begonnen te zingen. Het Te Deum is een lofzang uit het breviergebed dat de zusters elke dag samen baden of zongen. Ziehier, in vertaling de eerste zinnen van dat gebed:
U God loven wij, U Heer prijzen wij.
U Eeuwige Vader eert heel de aarde en alle engelen in de Hemel.
Met hen zingen ook wij: Heilig, heilig, heilig de Heer, de God der hemelse machten.
Vol zijn hemel en aarde van Uw heerlijkheid.
Enz.
Een paar zinnen uit haar brieven laten zien hoezeer zij al die jaren in de missie innig verbonden bleef met haar familie: Ik vergeet niet veelvuldig voor u allen te bidden tussen mijn werk in. Ik vraag dan aan Jezus u allen rijkelijk te zegenen zowel voor uw geestelijk als voor uw tijdelijk welzijn. Ook onze lieve kinderen van de school bidden voor de families van de zusters. En zij tekent altijd haar brieven met: Uw zeer minnende dochter, zuster of tante, Dame Marie Gonzague. (brief van 15 mei 1928 en ook van 28 nov. 1939)
In het Sint Jozefs convent waar ze al vele jaren overste was sprak men haar aan met “Mother Mary Gonzague”. Zij was een sterke figuur, nooit ziek, altijd de verantwoordelijke voor alles en nog wat. Na 35 jaar actieve inzet echter is zij aan buiktyfus overleden en dat na maanden lang bedlegerig te zijn geweest en na een langzaam wegkwijnen spijts alle dokters en specialisten die bij haar geroepen werden. Zij was amper 59 jaar. Hoe zij zelf dat heeft verwerkt en hoe zij dan, wellicht na een pijnlijke innerlijke strijd, tot rust en volle overgave is gekomen blijkt uit een paar uitspraken van haar in die laatste dagen:
Ik ben gereed om naar de Hemel te gaan maar ik wil nog lijden zolang het God belieft.
Het is altijd mijn verlangen geweest mezelf aan de anderen weg te schenken.
Ik ben gelukkig te sterven zoals ik gelukkig zou geweest zijn nog verder te werken als het Gods wil was geweest.
Op haar doodsprentje van 1949 staan deze woorden uit de Bijbel**: **Beati qui in Domino moriuntur: Zalig zij die sterven in liefdevolle verbondenheid met de Heer.
Pater André Loyson cicm