Allerheiligen - Allerzielen
In Kerk en Leven las ik hoe de Sint-Lutgardisschool in Antwerpen in rouw gedompeld is nadat een medestudent neergestoken werd door de man die hij wilde helpen. Leerlingen èn leerkrachten hadden nood en troost en zochten steun in mekaars armen.
En op het TV-nieuws was een stille bezinningstocht te zien van tientallen jongeren, die op die manier zonder woorden hun steun wilden betuigen aan de familie van een 13-jarige jongen die stierf nadat hij aangereden werd op de fiets.
Het is iets diep-menselijks blijkbaar dat midden in alle ellende een indrukwekkende verbondenheid kan groeien. Verbondenheid en echt, diepgevoeld medeleven.
Diezelfde verbondenheid brengt ons hier vandaag ook samen in deze kerk. De kaarsjes en de bloemen bij de kruisjes van onze overledenen spreken een eigen taal van verdriet en gemis. We noemen de namen van hen die sinds korte of iets langere tijd uit ons blikveld verdwenen zijn. We roepen hen bij hun naam, alsof we tegen hen willen zeggen: “We zijn je niet vergeten. Want we hebben zoveel aan jullie te danken! Al die mooie momenten in ons leven die we ons nog zo goed kunnen herinneren. Heb ik je dat wel ooit gezegd? Hoe dankbaar ik je ben om wie je was en blijft, voor je liefde, voor je vriendschap?”
Dat luidop noemen van hun naam maakt onszelf misschien weer meer verdrietig. Daar is echter niets mis mee. Want tenslotte is het verdriet dat wij voelen een sterke brug die ons met hem of met haar verbindt om wie we hier samen zijn. Een brug als een regenboog die naar de hemel reikt. De hemel die volgens ons geloof gevuld is met zalige mensen die het meer dan verdienen dicht bij God te zijn. Ze verdienen het, niet zozeer omdat ze opzienbarende dingen hebben verwezenlijkt. Maar omdat ze geprobeerd hebben te leven naar die acht befaamde zaligheden die we net hebben gelezen.
Sommigen waren daarin echte kampioenen, de Nobelprijswinnaars als het ware van het evangelisch leven. Daarom heeft de kerk ze officieel heilig verklaard. We kunnen ons aan hen optrekken. Mensen branden kaarsjes bij hun beeld om hulp te vragen en steun.
Maar daarnaast zijn er al die gewone maar zalige mensen die we persoonlijk hebben gekend, die een grote invloed hebben gehad op wie wij zelf geworden zijn: onze eigen man of vrouw, onze ouders, opa’s en oma’s, een te jong gestorven kind, die hartelijke collega of goede buur…
Ze leven in ons, want we dragen hen mee als een licht in ons hart. En we bidden, hopen en geloven - vandaag nog meer dan anders -, dat ook God hen in zijn hart gesloten heeft en hen in leven houdt.
Zij die mij een beetje beter kennen, weten dat ik zoals de meesten onder ons een aantal stokpaardjes heb. En één ervan is de naam die God zichzelf heeft gegeven: “Ik zal er voor jou zijn.”
Ik nodig jullie uit om bij jezelf eens na te gaan tot wie jij die woorden zou kunnen zeggen…
“Ik zal er voor je zijn…” Dat zeg je niet tegen zomaar iedereen. Er is liefde voor nodig. Veel liefde, vriendschap, verbondenheid, verantwoordelijkheidsgevoel en misschien nog wel meer…
Wel, God zegt tot ieder van ons – de doden zowel als de levenden – “Ik zal er voor je zijn. Want ik zie je graag, meer dan jij je kunt voorstellen. Ik laat je nooit uit de warmte van mijn liefde vallen. Ik hou je vast, over de grenzen van de dood heen en laat je leven.”
Ik hoop uit de grond van mijn hart dat mijn stokpaardje “echt en waar” is. Voor mijn en jullie dierbaren die gestorven zijn, voor een goede vriend die vecht tegen de dood en alle andere terminaal zieke mensen die leven met de dood voor ogen, en ooit ook voor mij en voor jou.
God, wéés er.
Amen.