Homilie op de 30e zondag door het jaar C: De farizeeër en de tollenaar
(Lc. 18, 9-14)
Tielt, 27 oktober 2013
We hebben zopas de gekende parabel beluisterd van de farizeeër en de tollenaar. De vraag waar het om gaat is de volgende: Wie zijn wij in deze parabel: de farizeeër, de tollenaar of Jezus?
Spontaan zou je wellicht antwoorden: liever die voorbeeldige farizeeër op wie niets aan te merken viel. Hij deed alles wat hij in zijn gebed zegde. Daarom waren de farizeeërs in Jezus’ tijd zeer geachte mensen. Best begrijpelijk! Men wist van hen dat dat ze zeer nauwgezet de Wet onderhielden.
Verplicht was 10 % tempelbelasting te betalen op wijn, olie en graan. De farizeeërs gaven 10 % op hun volledig inkomen. Wie van jullie doet er dat? Een pastoor zei eens in zijn homilie: “Spijtig dat er hier in de kerk niet meer farizeeërs zitten. Want dan zou ik niet langer zoveel stukjes van 1 cent en 5 cent vinden in de schaal. Het zouden haast allemaal briefjes zijn, grote briefjes zelfs.”
Verplicht bij de Joden was één vastendag per jaar op Jom Kippoer, de grote verzoendag. De farizeeër vastte 2 maal per week, dus meer dan 100 maal per jaar. Een asceet dus, die farizeeër. Vroom ook en moreel puntgaaf: plichtbewust, rechtvaardig, geen echtbreker. Echt een man om naar op te kijken.
Zo anders dan de tollenaar. Wat die in zijn gewone leven uitspookte was algemeen bekend. Hij was een gehate belastingencontroleur, die van zijn functie misbruik maakte om grote steekpenningen af te persen. Een collaborateur ook met de Romeinse bezetter, een man die Gods geboden niet onderhield en nauwelijks wist waar de tempel stond. Een verachtelijke zondaar, een man zonder aanzien: te mijden!
De tollenaar durfde, wellicht na lang aarzelen, toch eens naar de tempel komen. Best te begrijpen dat hij, liefst ongezien, achteraan bleef staan: om niemand te choqueren.
Waarom is het woord “farizeeër” dan bij ons een scheldwoord geworden en wordt hij door Jezus afgekeurd tot grote verrassing waarschijnlijk van Jezus’ toehoorders? Jezus keurde de farizeeër af omwille van zijn zelfgenoegzaamheid, omdat hij dacht dat hij aan zichzelf genoeg had, dat hij alles uit eigen kracht kon verwezenlijken, omdat hij dacht dat hij een goed mens was en op eigen kracht in de beste zin van het woord onverbeterlijk was. Omwille van zijn hoogmoed ook: omdat hij zich beter waande dan de anderen en op hen neerkeek. Wellicht hield hij stiekem zijn duim over zijn schouder in de richting van de tollenaar en zei of dacht althans “Ik dank U dat ik niet ben zoals hij”. In zo een hoogmoedig en zelfgenoegzaam hart is God afwezig. Wie vol is van zichzelf ,heeft geen plaats voor God. God komt altijd in de leegte. Zijn ook wij soms niet als die farizeeër: zelfgenoegzaam en hoogmoedig neerkijkend op de mensen om ons heen?
Die leegte, dat berouw, dat gevoel van kleinheid en nederigheid, van schuld zelfs, waren wel bij de zondige tollenaar aanwezig. Hij wist dat hij eigenlijk niets waard was. Hij zou wel graag willen een goed mens zijn, maar hij voelde dat hij het niet kon. Daarom zei hij heel uitdrukkelijk: “Heer, wees mij zondaar genadig.” Daarom zegde Jezus: “Die tollenaar ging gerechtvaardigd naar huis.”
De grondpijler van elke christelijke spiritualiteit is het berouw: het bewustzijn van eigen falen, van eigen gebreken en verlorenheid, waaruit de nood ontspringt aan bekering en overgave aan God.
Voor onszelf hebben wij al lang uitgemaakt dat wij niet behoren tot de categorie van de farizeeër zoals die beschreven wordt in de parabel. Met die pretentieuze en zelfgenoegzame man hebben we niets te maken. Of toch! In elkeen van ons huist soms een farizeeër. We denken zo gemakkelijk: “Ik ga elk weekend naar de mis, ik steel niet, ik bedrieg niemand, ik pleeg geen overspel, ik geef van mijn bezit iets aan de armen en steun ontwikkelingsprojecten.” Dat is toch belangrijk. Zeker! Op voorwaarde dat je niet zelfgenoegzaam wordt, dat je niet gaat denken dat alles afhangt van je eigen prestaties. In het zakenleven is dat zo: daar stijg je of daal je op de ladder naargelang je succes en je prestaties. Je productiecijfer bepaalt je rang. Bij God is dat niet zo. Hij rechtvaardigt ons niet omwille van ons productiecijfer, maar omwille van ons geloof, ons vertrouwen in Hem, het besef van onze kleinheid, omdat wij niet veroordelend neerkijken op de anderen. Zeg niet gauw: “Mijn buur, mijn collega of schoonbroer, dat is een triestig geval: nooit naar de kerk, een bunker van egoïsme, een onmogelijk karakter. Wat ben ik blij dat ik niet zo ben!”
De eerlijkheid gebiedt ons evenzeer ons te herkennen in de zondigheid van de tollenaar. Op momenten dat we klaar zien in onszelf, merken we onze kleine kanten en gebreken en voelen we de nood aan Gods barmhartigheid en vergiffenis. Niet om ons daarin te vermeien. Wie zichzelf trots op de borst slaat omdat hij gelukkig niet op de farizeeër lijkt, is eigenlijk even zelfgenoegzaam als de farizeeër met wie hij niet wil vergeleken worden. Een tevreden tollenaar is even erg als een zelfgenoegzame farizeeër. Wie vandaag de tollenaar is, kan morgen de farizeeër zijn en omgekeerd.
Denk niet te gauw dat je bent als die nederige en berouwvolle tollenaar.
Aldus houdt Jezus in de parabel van de farizeeër en de tollenaar iedereen wakker. Dat is nodig! Wie zich al te snel met de rouwmoedige tollenaar vereenzelvigt, is een verborgen farizeeër. En wie meent een zelfgenoegzame farizeeër te zijn, begint misschien de nederige houding van de tollenaar aan te nemen. De parabel functioneert als een vervelend steentje in je schoen: hij roept ons op, - om het met een oud woord te zeggen, - tot een gewetensonderzoek. Geen onderzoek van de handelwijze van anderen, maar van wat er omgaat in ons eigen hart.
Ik durfde mijn sermoen niet beginnen met de aanspreking “Dierbare Farizeeërs”. Ik durf het wel beëindigen met te zeggen: “Beste Farizeeërs en Tollenaars”. Want de een en de ander schuilt in elk van ons.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt
Homilie op het Feest van Allerheiligen: Een evangelieboek, geïllustreerd met namen uit het hier-na-maals en het hier-nu-maals
Tielt, 1 november 2013
In de eerste lezing hoorden we: “Ik zag een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle rassen en stammen en volken en talen.” Als ik deze regel uit het visioen van Johannes hoor, denk ik aan het lied dat soms in een uitvaartdienst wordt gezongen: “Jeruzalem, mijn vaderstad.” “Van alle kanten komen zij,
de lange lanen door; het is een eindeloze rij; de kinderen gaan voor; de negers
met hun loftrompet, de Joden met hun ster; de laatste is de eerste hier,
al kwam hij ook van ver.”
In je geest zie je dan een ontelbare stoet mensen, allemaal op weg naar dezelfde eindbestemming. In die stoet zie ik dan heel veel bekende mensen van wie ik tijdens mijn leven afscheid heb moeten nemen: uit mijn familie- en vriendenkring, mensen ook van wie ik de afscheidsdienst heb mogen leiden. Een ontelbare menigte! Allemaal op weg om opgenomen te worden in die grote kring van mensen die we op Allerheiligen gedenken.
Temidden van al die heiligen zijn er die hier op aarde officieel heilig verklaard werden. Met paus Johannes Paulus de Tweede is er zelfs een inflatie geweest van heiligverklaringen. Er zijn zelfs in de loop van de kerkgeschiedenis omstreden heiligverklaringen geweest. En ongeveer een halve eeuw geleden heeft men grote kuis gehouden in de heiligen en een aantal ervan geschrapt omdat ze blijkbaar nooit bestaan hebben. Terecht! Zo werd in het Zuiden van Frankrijk Saint-Viar lang vereerd omdat die naam te lezen stond op een grafsteen: S. VIAR. Later werden de brokstukken met de andere letters teruggevonden. Het was de grafsteen van een praefectus viarum, een soort kantonnier, een wegeniswerker uit de Romeinse tijd. Bij ons werd lang Sint-Job intens vereerd, relikwie en offerblok incluis, ofschoon men weet dat hij waarschijnlijk historisch nooit bestaan heeft. De persoon van Job komt voor in het gelijknamige boek in het Oude Testament. Waarschijnlijk gaat het hier niet om een historische persoon, maar om een romanfiguur in wie gelovige ervaringen door een religieus schrijver zo pakkend zijn samengevat dat men doorheen alle tijden vergat dat het om een verzonnen personage ging. Ik vind dat niet erg. Als die devotie iets bijbrengt van wat het oudtestamentische Job-verhaal aanreikt betreffende het lijdensprobleem, mag de H. Man Job zelfs een plaatsje behouden in de galerij der heiligen.
Persoonlijk heb ik wel wat vraagtekens bij het feestrumoer rond sommige heiligen. In de levensbeschrijving van sommige heiligen werd ook nogal overdreven en sproten uit de verbeelding van mensen onzinnige verhalen. Zo lees je in de levensbeschrijving van Sinterklaas dat hij “a prima infantia”, wat willen zeggen “van in zijn eerste levensweken”, elke vrijdag de moedermelk weigerde ten teken van boete. Soms denk ik daarbij aan de artificiële sfeer rond de geboorte van een prinsesje, dat zoals het een prinsesje past, een “heel mooi” en “heel braaf” en “heel schattig vrouwtje” moet zijn.
Maar het blijft goed en nodig dat de heiligen als toonbeeld gesteld worden. Als je de heiligenkalender doorbladert ga je immers vlug merken dat hij een spiegelbeeld is van zoveel bladzijden uit het evangelie. Dan spreken we nog niet eens van de ontelbare mensen, die geen naam hebben in onze geschiedenis.
Als je hun leven goed kent, weet je dat ze allemaal hun eigen talenten en karaktergaven hadden. Allen hadden ze ook hun gebreken, beperktheden en hebbelijkheden. Wat een troost voor ons! Maar ook een opgave! Want we noemen ze “heilig” omdat ze voor ons gidsen of richtingwijzers zijn om ons “heilzame” wegen te wijzen. Ze zijn de witte paaltjes die onze wegen afzomen. Je ziet ze ternauwernood bij klaarlichte dag. Maar, als het donker is, gaan ze allemaal lichten in het licht van de koplampen van je voertuig. Zo weerkaatsen onze heiligen het licht van Jezus’ blijde boodschap, vooral als het duister is in ons leven.
Als we in de penarie zitten, als we niet goed weten hoe eruit te raken, dan vooral gaan we ze opzoeken. Dan doet het ons deugd te zien hoe zij het ons voorgedaan hebben. Dan vooral mogen die heiligen ons niet ontbreken.
Dat is niet alleen zo voor de heiligen uit het hier-na-maals, maar ook voor die uit het hier-nu-maals.
Een man die lang en zwaar ziek was, zei kort voor hij stierf: “Mijn vrouw is een heilige, want ze heeft zoveel geduld met mij gehad, zelfs als ik niet lief was voor haar. Ze heeft me zo goed verzorgd. Dat kan geen mens verbeteren.” Ik denk dat veel langdurig zieke mensen zulk een heiligverklaring hebben uitgesproken.
Het geduld en de zelfopoffering van een mens worden soms pas duidelijk als je zwaar ziek bent, de vergevingsgezindheid als je zwaar geblunderd hebt. Dan plots ontdekken we die “heilige” vrouw, die “heilige” man in ons midden.
Die heiligen zijn de witte paaltjes die ons de juiste weg wijzen. Je hebt ze nodig vooral als het duister is in je leven. Je ziet ze pas als je de wijsheid hebt de koplampen van je voertuig erop te richten. Ze zijn zelf geen lichtbronnen. Ze weerkaatsen enkel die éne grote lichtbron die God zelf is, de lichtbron ook van Jezus’ blijde boodschap.
Ze nodigen ons uit om in ons leven zelf dat witte paaltje te zijn dat aan onze medemensen de juiste weg wijst, zodat niemand verloren loopt in onze soms zo duistere maatschappij.
Daarom mogen op Allerheiligen de heiligen ons niet ontbreken.: ze zijn bewust of onbewust de voorbeelden die we moeten navolgen om voor elkaar een samenleving te maken waarin het “zalig” toeven is.
Ik wens elkeen van harte een “zalige” hoogdag van Allerheiligen.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt