Wanneer mensen elkaar voor het eerst ontmoeten, dan vragen we meestal niet meteen: ‘Wie ben je?’, maar veel eerder, ‘Wat doe je?’ of ‘Wat heb je gedaan, waar kom je vandaan?’. Naarmate mensen elkaar beter leren kennen, meer vertrouwd raken met elkaar, vertellen we ook meer. Over wat je bezielt, wat je verdriet is, waar je vreugde aan beleeft. En in de mate dat het herkenning oproept openen mensen zich meer en meer voor elkaar. Kan er verbondenheid groeien.
Wie is Petrus? Wie is Paulus? Dat zijn de vragen die je op zijn minst kunt stellen op deze dag die aan hen gewijd is. Dus de gewone vraag maar. Waar komen ze vandaan?
Petrus, zijn gewone naam is Simon, is een eenvoudige visser, die met zijn familie leefde in een dorpje, Kafarnaüm. Een vissersman, weinig scholing. Hij zal het vissen wel van zijn vader geleerd hebben. Hij zal regelmatig naar de synagoge gegaan zijn. We weten dat hij getrouwd was. Zijn grote kwaal is, dat hij nogal ondoordacht spreekt. Hij blijkt niet erg onfeilbaar te zijn. Hij vergist zich nogal eens en een leugentje om eigen bestwil is hem niet vreemd.
Paulus, zijn gewone naam is Saul, is meer een geleerde. Hij komt uit een plaatsje in Zuid-Turkije: Tarsis. Al jong is hij naar Jeruzalem gekomen om daar bij de geleerden de Wet en de Geschriften te bestuderen. Hij wordt een gewetensvol Schriftgeleerde. Hij heeft ook een kwaal. Hij zegt niet welke. Maar hij noemt het een doorn in het vlees.
Twee heel verschillende mensen. Twee heel verschillende achtergronden.
Wat heeft hen geraakt, wat heeft hen geïnspireerd?
Simon is door Jezus aangesproken toen hij aan het vissen was. Hij is daardoor geraakt en is achter hem aangegaan. De concrete dagelijkse ontmoeting met Jezus, het met hem eten en drinken en rondtrekken, heeft zijn leven bepaald. Zijn zorg om Jezus nam toe, toen die begon over dood en ondergang. Daar wilde hij Jezus wel voor behoeden, daar wilde hij zelfs tegen vechten. Hij krijgt een nieuwe naam, zoals we in het evangelie hoorden. Petrus, steen- rots. Aan zo’n mens, die ondanks alle gebrek een hart heeft voor Gods boodschap, wil Jezus zijn werk overlaten.
Saul, een fanatieke christenhater, zag in die eerste christengemeenschappen een nieuwe sekte. Hij zag in die christenen een aanval op het geloof van zijn voorvaderen: Abraham, Mozes, de profeten. Die christenen waren in zijn ogen een gevaar voor het jodendom. Die sekte moest, in naam van de wet, met wortel en tak uitgeroeid worden. Op weg naar Damascus wordt hij, door een geweldig Licht, van zijn paard afgesmeten. Hij hoort en ziet daarin het teken van God dat hij op de verkeerde weg zit. Vanuit dit nieuwe inzicht wordt hij een vurige verkondiger van de nieuwe leer. Zijn nieuwe naam, Paulus, wijst op een nieuw begin van leven: dat hij een ander mens is geworden.
Hoe verschillend de personen en hun verhalen ook zijn, ze erkennen van elkaar dat het om dezelfde God gaat, die zich heeft laten zien in Jezus van Nazaret. Er zullen zich tussen Petrus en Paulus verschillende botsingen voordoen over de te bewandelen weg. Hoe gek het ook klinkt, Petrus is wat meer wetsgetrouw en Paulus, waarschijnlijk ook vechtend tegen zijn eigen verleden, zal woedend worden als de wet boven de mens gesteld wordt. Het hoogste van alles is de liefde, zegt hij.
In de eerste lezing hoorden we hoe bij Petrus de boeien in de kerker afvielen. De eerste lezing is eigenlijk een bevrijdingsverhaal, een opstandingsverhaal, een paasverhaal . Het is een verhaal over ‘binden en ontbinden’. In het evangelie krijgt Petrus de ‘sleutels van het rijk der hemelen’. Ook hier gaat het om ‘binden en ontbinden’. Daar schijnt het om te gaan.
Petrus en Paulus laten zich beiden ‘binden’. Anders gezegd: zij laten zich zo sterk raken door de verrezen Heer dat hun leven verandert. Hun leven krijgt als het ware een nieuw begin dat hen in beweging zet om het ook aan andere mensen door te geven.
Dat is beslist niet meegevallen. Ze hebben beiden veel tegenkanting ondervonden. De ene is gestorven op het kruis, de andere is gedood door het zwaard. Hoe verschillend ze ook denken over de manier waarop het allemaal moet gebeuren, over één ding zijn ze eens. Het gaat immers over ‘ontbinden’. Dat wil zeggen: Het gaat om boeien wegnemen van mensen die vastzitten, die veroordeeld zijn omdat ze niet voldoen aan de heersende wetten.
‘Binden en ontbinden’: het betekent veroordelen of vrijspreken, beslissen of iemand al dan niet tot de christengemeenschap behoort.
‘Binden en ontbinden’ heeft echter ook een ruimere betekenis. De kerkgemeenschap laat zich ‘binden’, leeft in ‘verbinding’ met de Heer Jezus. Het is de opdracht van de kerkgemeenschap om te ‘ontbinden’. Om in Jezus’ naam, mensen van de knellende banden van kwaad en lijden te bevrijden. Mensen hoeven niet vast te blijven zitten aan alles wat hen veroordeelt. De nood aan vergeving, de behoefte aan een nieuw begin, het verlangen naar toekomst: dat hebben Petrus en Paulus beiden in hun leven ervaren. Dat hebben zij willen doorgeven aan vele mensen. Zij hebben er zelfs hun leven voor gegeven.
Met vandaag Petrus en Paulus gedenken, wil de Kerk ons een hart onder de riem steken. Hoe onvolmaakt deze apostelen ook waren, ze hebben het ware gelaat van de Kerk laten zien. Daar mogen wij , al even onvolmaakte mensen, ook toe behoren: om ons te ‘binden’ aan Jezus en te ‘ontbinden’ (vrijmaken) wat mensen knelt.
Geïnspireerd op het tijdschrift voor verkondiging juni 2008