‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’ Deze vraag van Jezus maakt duidelijk dat Hij eigenlijk moeilijk is thuis te brengen in een bekende categorie. Hij past eigenlijk nergens in. Hij behoort niet bij de priesterklasse van zijn tijd. Hij is geen wetgeleerde, en behoort dus niet tot die groep leiders uit zijn tijd. Hij is geen farizeeër, en behoort dus evenmin tot die groep leidinggevende figuren. Toch treedt Hij op met macht en gezag. Maar Hij past in geen enkel officieel kader. Je kunt van Hem eigenlijk het beste zeggen: Hij is een zeer bijzonder mens, een uitzonderlijke profeet.
Er is nog iets. Hij spreekt voortdurend over het koninkrijk Gods. Maar Hij bedoelt duidelijk iets anders dan anderen. In het koninkrijk waar Hij het over heeft, is plaats voor armen, tollenaars en zondaars. En die mensen horen nu juist niet thuis in het toen gangbare idee over het koninkrijk Gods. Ook hierin denkt Jezus anders.
Nog iets. Wat bedoelt Hij met te zeggen: ‘Ik zal aan de wet geen jota of stip veranderen’, terwijl Hij met grote vanzelfsprekendheid meer dan eens de wet overtreedt, en zelfs zegt: ‘De sabbat is er voor de mens, en niet andersom’. Waar haalt Hij het gezag vandaan om een eeuwenoude wet zo te interpreteren alsof Hij hem zelf had uitgevaardigd?
Er is nog meer. Hij boeit en Hij stoot af. Hij boeit doordat Hij grote eerbied betoont voor iedere mens, ook voor mensen die in naam der wet andere mensen opofferen. Of doordat Hij altijd staat aan de kant van mensen die uitgestoten zijn, die in de verkeerde hoek staan. Hij is geweldig voor die mensen. We hoeven alleen maar te denken aan zijn houding tegenover een overspelige vrouw, of tegenover een tollenaar als Zacheüs. Hij boeit, maar tegelijkertijd stoot Hij ook af. Wanneer Petrus Hem wil tegenhouden op zijn weg naar lijden, versmading en dood, krijgt Petrus te horen: ‘Ga weg, satan’. Wanneer mensen Hem willen volgen, doet Hij niet enthousiast, maar zegt Hij: ‘Weet wel wat je doet? Dat betekent dat er van jou niets overblijft. Je moet jezelf verloochenen’. Met andere woorden: er staat je dan veel ellende te wachten. Wie is Hij? Hij gebruikt voor zichzelf een benaming die God zelf voor zichzelf had gebruikt toen Hij zich openbaarde aan Mozes: ‘Ik-ben’. Ik ben de weg. Ik ben de waarheid. Ik ben het leven. Ik ben de verrijzenis. Is Hij God zelf? Is Hij het, die zich indertijd aan Mozes openbaarde? Wat wil Hij van ons? Hij vraagt ontzettend veel. Hij vraagt iets dat God alleen van ons mag vragen. Hij vraagt je je leven te verliezen. Je leven van welvaart, rijkdom, consumptie. Dat durven verliezen. Dat is niet veel, dat is alles vragen. Maar alleen dan zul je je leven vinden, zegt Hij. Na dit alles ga je je toch afvragen: maakt het christendom nog veel kans in onze materialistische consumptiemaatschappij? Als het nog kans maakt, moeten wij veel radicaler zijn, willen we het materialisme overleven. God geve dat we, als we voor de keuze staan - en dat staan we nu toch -, de goede keuze doen. Hij zegt: ‘Zalig die arm zijn van geest, want van hen is het koninkrijk der hemelen’…