In het evangelie op kerstdag neemt de evangelist Johannes ons mee naar het bijbelse scheppingsverhaal; het verhaal dat zo begint: “In het begin schiep God hemel en aarde; de aarde was woest en leeg, duisternis lag over de diepte; toen sprak God.” En uit het vervolg van het verhaal wordt ons duidelijk dat Gods woord aan het begin staat van alles wat geschapen is; elk van de zes dagen begint met ‘God sprak’ en gaandeweg ontvouwt de schepping zich voor onze ogen, licht, uitspansel, zee en land, groen gewas en vruchtbomen, lichten aan het hemelgewelf, dierenwereld en de eerste mens. Telkens een woord van God, dat vruchtbaar werd.
Ik wil graag met u mijmeren over de schepping van elk mensenkind sindsdien. Het heeft mij bezig gehouden in deze dagen rond en na het kerstfeest. Mensen zijn toch stuk voor stuk wonderen, geboren uit een droom van twee mensen die het geluk zochten en ons als het beeld van hun geluk al voor zich zagen. Ik heb erover nagedacht: ben ook ik niet ontstaan uit een woord dat vruchtbaar werd? Toen twee mensen tegen elkaar zeiden ‘ik houd van jou’, toen ben ik ontstaan. En ik weet dat dit woord oprecht moet geweest zijn, dat ik uit dat liefdeswoord geboren ben, dat ik blijde verwacht werd, negen maanden lang. Misschien - mijmer ik - was die verwachting ook doorweven met een tikkeltje zorg, bezorgdheid; want ik had een broertje - net boven mij - die wat gehandicapt was, verstandelijk gehandicapt. Maar ik werd blij verwacht - ik durf er mijn hand voor in het vuur te steken -, ik was gewenst.
Ik weet echter goed van wat mensen mij hebben toevertrouwd, dat niet iedereen dit zo overtuigend kan zeggen van zichzelf; dat er mensen zijn die op zijn minst twijfel kennen en zich afvragen: zou het wel zo zijn? zou ik wel zo gewenst zijn? Een twijfel die blijft knagen. We mogen hopen dat zij in hun leven mensen ontmoeten, die deze twijfel wegnemen; die hen laten voelen dat ze er mogen zijn, dat ze kostbaar zijn, alsnog gewenst, alsnog geliefd.
Misschien dat er zelfs mensen zijn die te horen hebben gekregen en het hebben ervaren, dat ze niet gewenst waren, dat ze niet uit liefde zijn ontstaan. Dat is erg; en ik probeer me in te leven, wat voor gevolgen dit moet hebben voor hen in hun leven, voor hun houding ten opzichte van hun omgeving. Laten we hopen dat zij in hun leven mensen ontmoeten, die dat gemis van ‘in het begin’ kunnen opvullen, die deze wonde kunnen helen met heel veel begrip, met heel veel liefde.
We staan nu in het begin van een nieuw jaar, een jaar nog maagdelijk, nog leeg. Wat zal het worden? Lang niet alles hebben wij als mensen in handen; want er zijn dingen die ons overkomen. Mogen wij dan in staat zijn om ons hoofd te buigen als het nodig is, in staat dingen een plek te geven die wij niet in handen hebben. Maar wat wij mensen wel in handen hebben, mogen wij daarvoor gaan.
Wij zijn een gemeenschap samen, we willen dat zijn. We willen er voor elkaar zijn, volop; we willen elkaar aanvaarden zoals we zijn, met onze kwetsures, met het verleden dat we meedragen. En ik denk daarbij aan wat ik straks zei: de een overtuigd van dat beginwoord van zijn/haar ouders, de ander mogelijk met knagende twijfel, de derde met een hart vol pijn van ‘zeker niet’. Wat ervan zij, wij willen er voor elkaar zijn, volop, elkaar opvangend en ondersteunend in de gemeenschap. Niemand mag erbuiten vallen en niemand mag zich erbuiten voelen.
En met elkaar willen we naar buiten treden, om van die wereld daarbuiten iets dergelijks te maken: een wereld waar plek is voor iedereen, ongeacht verschillen, ongeacht opgelopen kwetsures van wat voor aard ook. En misschien moet die wereld daarbuiten omgekeerd; wij gaan ervoor, het is de opdracht van Jezus toen Hij deze wereld aan ons overliet 2000 jaar terug. Als Andreasgemeenschap, hebben wij zijn traditie voort te zetten; wij willen in zijn spoor verder bouwen aan een mooie wereld van broeder/zusterschap, zijn koninkrijk.
Maar - zo mijmer ik verder - wie zijn wij? Waaruit bestaat onze gemeenschap? Zoveel mensen, zoveel mannen, vrouwen, kinderen, die telkens plaats nemen in deze kerk, onder het verbondsteken van God, een schakel in de traditie, omarmd door het verre verleden, de stammen van Israel, en temidden van het nabije verleden, de 12 apostelzuilen. Daar treden wij binnen, verschillend als wij zijn, om onderdeel uit te maken van de lange traditie, die tot ons gekomen is; en om - op onze beurt - die traditie door te geven aan hen die na ons komen.
Wat geven we dan door; wat behelst deze traditie? Dan denk ik niet zozeer aan dogma’s en waarheden, maar veeleer aan het eenvoudige vanzelfsprekende er-zijn-voor-de-ander in navolging van Jezus van Nazaret. Ik denk dan vooral aan de bagage, die mijn ouders mij meegegeven hebben, aan hun liefde en zorg voor mensen, aan wat voor hen van wezenlijke waarde was, aan hoe zij mij voorgeleefd hebben. En dan denk ik aan de bagage die uw ouders elk van u meegegeven hebben, aan dat wat voor hen van waarde was, zoals zij u voorgeleefd hebben. Allemaal verschillend, maar allemaal kostbaar. En al onze ouders hebben wat voor hen waardevast was op hun beurt ontvangen van hun ouders, van grootouders, van overgrootouders. In die traditie zitten wij, wij mensen zoals wij hier samen zijn, deze gemeenschap, gevoed door wat uit het verleden aan kostbaars tot ons kwam langs verschillende lijnen.
Dit is de Andreasgemeenschap, anders dan andere gemeenschappen, vanwege haar heel eigen karakter, de heel eigen geloofsschat die zij in zich draagt. ‘In het begin’ van dit nieuwe jaar is nog niets ingevuld voor deze gemeenschap; behalve misschien een wens, een woord. Als ik een woord mag uitspreken, dan is het dit: dat wij als gemeenschap die kostbare schat van de traditie koesteren en ons verantwoordelijk weten om ze - met onze eigen inbreng verrijkt - uit te dragen naar de wereld hierbuiten en door te geven aan hen die na ons komen. Moge dat woord vruchtbaar worden, zoals Gods scheppingswoord vruchtbaar was.