Zusters en broeders,
Nieuwjaar is sinds mensenheugenis een dag waarop mensen elkaar allerlei goede dingen toewensen. Dat doe ik dus ook: u van ganser harte vrede en geluk toewensen, en vriendschap, gezondheid en ook voorspoed. Ik wens u toe dat elke nieuwe dag vredevoller en gelukkiger wordt dan elke voorgaande dag, een heel jaar lang, en ook de jaren daarna. Ik wens het u toe, dus ik hoop dat het zo zal zijn.
‘Hopen’. De ouderen onder ons herinneren zich zonder twijfel de vier akten die we in onze catechismus moesten leren: geloof, hoop, liefde en berouw. Geloof, liefde en berouw, dat ging nog, maar wat hoop daarbij kwam doen, dat begreep ik als kind niet. Wat was er nu zo belangrijk aan hoop? Dat dachten blijkbaar ook zij die het ons moesten uitleggen, de priester of de onderwijzer. Ik herinner me zeer goed dat ze ‘hoop’ nooit echt uitlegden, precies of ze hem niet zo belangrijk vonden, precies of hij het zwakke broertje van de christelijke deugden was. Hoop werd bij manier van spreken zachtjes onder de mat geveegd.
Wel, zusters en broeders, ik zou het vandaag, op deze eerste dag van het nieuwe jaar, uitdrukkelijk willen hebben over hoop. We zien zoveel hopeloosheid rondom ons, en zo weinig hoop. Twee weken geleden bleek uit een bevraging dat de Belgen 2006 behoorlijk somber tegemoet zien. Voor één keertje waren Vlamingen en Walen het zelfs roerend eens: er zal weinig vrede zijn, de werkloosheid zal nog toenemen, het leven zal niet beter en de maatschappij niet aangenamer worden. Kortom, 2006 wordt geen goed jaar als we onszelf mogen geloven. Dat sombere beeld is misschien wel ingegeven door wat we rondom ons zien. Ik denk aan de jongeren, voor wie het leven nochtans nog moet beginnen, maar velen onder hen hebben allang alle hoop opgegeven, en ze zoeken troost in alcohol, drugs, seks, zelfmoord. Of ze rijden zichzelf te pletter. Ik denk aan vaders die hun hele gezin uitroeien, ik denk aan de velen die depressief, moedeloos, totaal op zijn. En ik denk ook aan het feit dat wij, Belgen, de grootste slikkers ter wereld zijn van kalmerende en antidepressieve middelen. Het zijn maar enkele voorbeelden, maar ze wijzen allemaal op hetzelfde: veel mensen hopen meer, of durven niet meer hopen. Op niets of op niemand.
Welnu, dat is heel spijtig. Hoop is immers niet alleen een van de fundamenten van het christenzijn, hij is ook een fundament van het menszijn tout court. Neem nu de liefde: ze kan niet zijn zonder hoop. Je hoopt dat je liefde zal aanvaard én beantwoord worden, en als je dat niet meer kunt hopen, kun je ook niet meer houden van. Als je niet meer kunt verlangen naar warme genegenheid, naar de dag van morgen, naar liefdevol samenzijn? Als de hoop is verdwenen, is ook het fundament onder de liefde verdwenen.
En hoop is ook een fundament van het geloof. Bij velen is het geloof verzwakt of afgestorven, en dat komt omdat ze niet meer kunnen of willen hopen op een goede God, op een leven voor elkaar en voor de andere, op een leven na dit leven. Hoop en geloof zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, net als liefde en hoop. Alle drie houden ze elkaar in stand, alle drie zijn ze noodzakelijk in het leven van een christen, in het leven van een mens.
Zusters en broeders, hoop maakt sterk. Ik heb een diepe bewondering voor mensen die bij manier van spreken niet kapot te krijgen zijn. Hoe zwaar ook het ongeluk, hoe diep ook de ellende, hoe uitzichtloos de situatie, ze blijven sterk omdat ze blijven hopen. Die hoop is hun kracht, hij maakt hen onwrikbaar. Je hoort soms van mensen die opgegeven zijn, die geen schijn van kans maken die ziekte of dat ongeval te overleven, die van de ene miserie in de andere terechtkomen. En wat zie je? Ze genezen op een onverklaarbare wijze, en ze komen elke miserie te boven. Waarom? Omdat ze blijven hopen, en die hoop maakte hen sterker dan alle ziekte en miserie samen.
En die hoop, dat vertrouwen, is ook bijzonder christelijk. Weet je, zusters en broeders, we moesten in onze momenten van hopeloosheid maar eens meer aan Jezus denken, toen Hij op zijn kruis hing. Alles lijkt verloren, maar zijn hoop, zijn vertrouwen, zijn liefde ook zijn geloof zijn even sterk als altijd. Je weet dat Hij in zijn stervensuur aan de moordenaar naast zich nog een toekomst geeft. ‘Geef maar niet op’, zegt Hij, ‘vandaag nog ben je met Mij in het paradijs.’ En dan zijn laatste woorden: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest’. Alles lijkt stuk, zijn leven is gebroken, maar zijn hoop maakt Hem zo sterk dat Hij, al stervend, reeds aan het verrijzen is.
Zusters en broeders, ik wou mijn wensen van in het begin van deze homilie toch wat verfijnen. Even een flater herstellen. Ik wens u dus van ganser harte vrede en geluk, en vriendschap, gezondheid en ook voorspoed toe. Én een onwrikbare hoop, want die geeft kracht, die geeft leven, die voedt ons christenzijn. Amen.