Kerstnacht (2008)

Feest · 25 december · Kerstnacht · wit

Als er in onze samenleving één feest het familiefeest bij uitstek is, dan is het wel Kerstmis. In veel families worden ruim van te voren de agenda’s getrokken: Bij wie vieren we het dit jaar? Op eerste kerstdag, of toch liever op tweede kerstdag? En dan kan de voorpret beginnen. Heerlijk, iedereen vrij, heel de familie bij elkaar: Gezellig.
Maar dat het zo’n familiefeest is, maakt ook dat je er als berg een tegenop kunt zien. Omdat wat ooit een familie was, na een scheiding uit elkaar is gevallen: En hoe doe je dat dan, met de één, met de ander? Of omdat iemand die zo bij het gezin hoorde, is overleden: En als alle anderen er dan wel zijn, doet die ene lege plek zo zeer. Of omdat het in de familie eigenlijk al een hele tijd niet meer zo gezellig is. En dan moet je bij zo’n diner ook weer aan tafel met die ene zus met wie verder alle contact verbroken is, en met die vervelende zwager. En ineens is heel het kerstfeest zijn romantiek kwijtgeraakt.
Ik heb me wel eens afgevraagd waar die romantiek van kerstmis eigenlijk vandaan komt. De verhalen van kerstmis zijn in ieder geval niet romantisch. Het kerstverhaal dat we net hoorden, gaat toch vooral over een keizer die in zijn machtswellust nou wel eens wil weten hoeveel onderdanen hij heeft, en het gaat over herders, het uitschot, de daklozen van hun tijd, en over een man en een vrouw die hun eerste kindje krijgen in omstandigheden die je niemand toewenst: ergens buiten tussen de beesten in een vreemde stad, ver van je eigen huis.
En dan is er ook nog die stamboom, waar zo ongeveer alle ellende die je in je familie kunt hebben, in voorkomt. Je zou zeggen dat God een meer geschikte familie had moeten kunnen vinden om mens te worden. Ik wil graag nog eens met u naar die stamboom kijken, omdat ik denk dat het geheim van kerstmis erin verborgen ligt. De stamboom is het begin van het Matteüs-evangelie, wie een Nieuwe Testament openslaat leest op bladzijde 1 de namen die wij straks ook gehoord hebben.
Zo’n stamboom is een antwoord op een heel gewone vraag, een vraag die als we over iemand praten, geregeld langskomt: “Van wie is dat er één?” “Van dat gezin dat vroeger naast de bakker woonde, weet je nog? Ik heb nog bij zijn broer in de klas gezeten.” Of het antwoord luidt: “Ja, dat weet ik niet hoor. Het is in ieder geval import, geen echte Tielenaren.” En meestal klinkt er dan iets van teleurstelling mee. Je geschiedenis, je stamboom, het gaat over wie je bent. Wat heeft Jezus’ stamboom ons te vertellen?
De stamboom begint met Adam, de eerste mens, maar begint pas echt goed met Abraham, met wie God een verbond sloot: “Ik zal jou tot een volk maken.” Met Abraham begint de tijd van de aartsvaders en de aartsmoeders, een tijd waarin alles draait om de familie, om de clan: het is dan ook geen toeval dat er in dit stuk van de stamboom iets bijzonders gebeurt, want helemaal tegen de gewoonte van het oude Israel in horen we hier ook over vier vrouwen: hun namen worden niet steeds genoemd, maar zij staan er wel in. En met alle vier is er iets aan de hand. Tamar wordt zwanger van haar schoonvader Juda. Incest, dus. En Rachab bedreef op de stadswal van Jericho dat oude beroep dat wij ook nog steeds associëren met ‘de wallen’. Ruth, de vrouw van Boaz, was een buitenlandse, en nog van een ander geloof ook. Dat dat spanningen oplevert kun je snappen, stel dat je dochter aankondigt dat ze moslim wil worden omdat ze zo’n leuke Marrokaanse jongen ontmoet heeft. En Batsheba was een getrouwde vrouw, de vrouw van Uria. Maar koning David ging vreemd met haar, en toen het dreigde uit te komen liet hij Uria simpelweg vermoorden.
En ik kijk naar het kind in de kribbe en denk: “Arm kind. Amper geboren, en nu al zo’n geschiedenis op je schouders.” Maar het kind hoort me. Het zegt: “Heb je ze gezien, die vrouwen? Seksueel misbruik zoals bij Tamar, het is van alle tijden. En in jouw kerk zitten ze ook, slachtoffers. En daders. En Rachab, de vrouw van de wallen leefde aan de rand van de stad, aan de rand van de samenleving. Ze was een dappere vrouw, die een plek heeft in Gods hart. En nee, mijn bloed is niet van vreemde smetten vrij: Ruth, de buitenlandse is een van mijn voormoeders, en er zijn meer buitenlanders in mijn familie. En ook David en Batsheba, de overspeligen, horen bij mijn voorouders: zonder hen was ik er niet geweest. Die vier vrouwen, ze verdienen een ereplaats in mijn geschiedenis, naast die vijfde vrouw, Maria.”
Ik lees verder in de stamboom. David is de eerste koning in de stamboom van Jezus. Van alle namen uit de stamboom is hij misschien degene die het vaakst bij Jezus genoemd wordt. Ook vanavond zullen we een paar kerstliederen zingen waarin staat dat Jezus uit de stam van David is, u moet er maar op letten. David, gold voor de joden als een ideale koning. En dat snap je ook: Hij was een herdersjongen, een gewone jongen uit het volk, en alleen daarom al sympathiek. Als herder heeft hij de grote Goliath verslagen. Nog zo’n droom van ons: het kleine wint. Waarom moeten altijd tanks en bommenwerpers het winnen, waarom niet: gewone mensen? En hij was geen perfecte koning. We horen ook van zijn overspel, en van zijn berouw achteraf. Daarom geldt hij ook als ‘de bidder’: Veel psalmen staan op zijn naam: Hij is de man die zijn gedachten en gevoelens niet voor zich houdt maar in gesprek brengt met God. Dat kind dat vannacht geboren wordt, van wie is hij er een? Hij is er echt een van de familie van David, een mens naar Gods hart.
Na David volgt nog een heel aantal koningen. Sommigen als Salomo en Josia waren goede leiders. Maar alle politieke misdadigers zitten er ook bij: leugens, alleen uit op eigen voordeel, fout in de oorlog. Een beetje alsof je in je familie Bush én Bin Laden hebt, Mussert én Mugabe.
En dan, als Israël veroverd wordt door het grote buurland, en gedeporteerd wordt, dan is het uit met de koningen. De namen die daarna komen zijn grotendeels onbekenden: Seàltiël, Eljakim, Eleazor. Grijze muizen, een volk dat ronddoolt in de duisternis, mensen die hun hele gewone levens hebben geleefd, met alle mooie en lelijke dingen die we uit ons leven ook kennen.
En dan komt Jozef, de man van Maria. Dat staat er. Er staat dus niet: de vader van Jezus. En even houd je je adem in: Als hij niet de vader van Jezus is, is dan heel die stamboom niet voor niks? Of zou het kunnen dat het daar nou net om gaat? Dit kind, dit kind van God, moet wel een kind van David zijn, omdat hij in alles wat hij deed zo sprekend op die grote koning lijkt. En dus werd hij het ook: Jozef erkende dit kind als zijn kind, en nam het op in zijn huis, het huis van David. Maar als stamboom is het dus wel gek: Het gaat bij deze stamboom blijkbaar niet om bloedlijnen, het gaat er niet om om te laten zien dat Jezus uit een ‘voortreffelijk milieu’ kwam.
Ik kijk nog een keer naar het kind in de kribbe, en kan het niet laten het nog een keer te denken: In iedere familie komt wel wat rottigheid voor, maar dit is wel heel veel. Zo’n klein kind, en nu al zo’n geschiedenis." En dan begint het kind te lachen. Het draait zich naar me toe en zegt: “Snap je het nu nog niet? Jullie vieren vannacht mijn geboorte. En dat is mooi, ik ben blij dat jullie mijn feest vieren. Maar als je wil weten wie ik ben, als je wil weten waar je mij kunt vinden, kijk dan naar mijn familie: Je kunt mij niet vinden in dikke diners of suikerzoete romantiek.
Mij vind je bij het uitschot, bij de mensen over wie geroddeld wordt. Mij vind je in de gezinnen waar iets mee aan de hand is: Waar de pijn is van seksueel misbruik of echtscheiding, mij vind je in de straten waar vrouwen hun lichaam verkopen, mij vind je bij de import en bij de mensen die zo heel anders zijn dan jij. Mij vind je bij foute politici, en bij hun slachtoffers. En mij vind je tussen al die onopvallende mensen, die zo goed en kwaad als het gaat hun leven leven, en soms wat doormodderen. Al deze mensen, zij zijn mijn familie, bij hen hoor ik, bij hen ben ik thuis. In hun plezier en hun hoop, in hun angst en verdriet word ik geboren, daar ben ik te vinden.”
En ik, ik luister naar het kind. Weet je, kindje van deze nacht, wat ik in deze Kerstnacht het liefste zou willen? Dat jij vannacht ook in mij geboren wordt. Maak mijn hart tot jouw thuis, en speur door mijn ogen naar de plaatsen waar jij woont, naar de mensen in wie ik jouw gezicht kan herkennen. Dan zal ik steeds beter begrijpen wat het geheim is van deze nacht, en steeds meer de weg vinden naar jouw Vader, bij wie heel de mensenfamilie zijn thuis heeft."

Zoeken in Preken Online