Duister en licht, het zijn de centrale woorden van deze nacht. Hoe voorkom ik dat het duister macht over mij krijgt? Dat ik moedeloos word? Hoe word ik weer ontvankelijk voor het licht? Het vieren van de Kerst hoort bij die zoektocht. We verlangen naar een licht, naar een vuur dat niet te doven is. Een vuur dat ons verwarmt en bezielt.
Het warme licht van de kerst, waarmee is het te vergelijken? De dichteres Maria de Groot heeft het over een vlam die brandt in een innerlijke ruimte. “De innerlijke ruimte” is ook de titel van een meditatieboek, waarin zij de ervaringen uitwerkt die zij in haar leven heeft opgedaan. Zij is ooit gestoten op de vraag: wie ben ik ten diepste? Wat is mijn roeping, mijn bestemming, mijn echte houvast? Er volgde reis naar binnen. Zij beschrijft die als het betreden van een stad. Een stad op een schiereiland. Hoe ging die reis? Ik neem u mee.
In haar is het verlangen gewekt naar een bijzondere stad op de punt van een schiereiland. Daar vermoedt zij het antwoord op haar levensvragen. Zij reist ernaartoe, op een schip. Zij gaat aan land. Lang blijft zij aan de buitenkant van de stad, temidden van heel veel zoekende mensen, op de kade langs het water. Op een gegeven moment ontdekt zij dat er een zestal smalle stegen leidt naar het centrum. Zes stegen, zes vormen van levenservaring, ieder met hun eigen verrukkingen en beproevingen, hun eigen levenslessen. U kunt zelf het beste zeggen langs welke wegen uw levenspad verlopen is tot nu toe. Maria ter Steeg noemt de steeg van de vreugde. Velen gaan die weg naar het centrum. Ook is er de steeg van het verdriet, een steeg die we allemaal kennen. Ook die steeg leidt naar het centrum. Dan is er de steeg van de eenzaamheid, noodzakelijk om jezelf te worden, maar je kunt er ook in vastlopen. Dan wordt eenzaamheid verlatenheid. Er is de steeg van de ontmoetingen, van ontvangen en geven, van gemeenschap en teruggeworpen worden op jezelf. Er is de steeg van de roepingen; een steeg die het minst wordt betreden, omdat die veel van je vraagt. Er is de steeg van de sterfelijkheid; een steeg die weinig mensen uit zichzelf willen betreden. Al die steegjes zijn onderling verbonden, als in een labyrint; je komt van de ene steeg in de andere. Al die wegen horen bij ons leven. Dat te aanvaarden; dat al die wegen bij ons leven horen; het is levenskunst. Regelmatig keer je weer terug naar de gezellige drukte van de kade. Daar is het leven vaak goed, maar het heeft ook iets oppervlakkigs. Diep van binnen weet je dat je alleen door het gaan van de weg naar het centrum de bron van alle licht en leven kunt ontdekken.
We gaan naar het centrum, langs onze eigen weg. In het centrum aangekomen stuiten we op een gebouw. Het is een klooster. Daarbinnen zijn ruimten zoals alle kloosters die kennen: een verbindingsgang, een eetzaal waar je anderen ontmoet, een kapittelzaal waar uit de leefregel wordt voorgelezen, een cel voor meditatie, een bibliotheek, een tuin en natuurlijk de kapel. In die kapel branden kaarsen rond een icoon; het is een vuur dat je tot in je ziel verwarmt. Daar word je ten diepste gekend en leer je jezelf ten diepste kennen als kind van God. Daar kan God geboren worden in je ziel als bron van al je liefde en al je leven.
Niet iedereen durft dat innerlijke klooster binnen te gaan. Wij doen dat wel vanavond. Als je nog vervuld bent van jezelf, van je eigen gevoelens en gedachten, je verwondingen en je ambities, dan is de deur wel heel zwaar. Bij de ingang staat gelukkig een bank. Dat is de plaats waar je tot jezelf kunt komen, de plaats waar je kunt ontdekken dat je mens bent als anderen. Het is een plaats van onthechting. Je bent belangrijk, maar niet bijzonder. Je deelt het lot van zo velen. Allemaal zoekers. Het is niet je verdienste dat je hier bent. God, de bron van de liefde is het, die jou hierheen getrokken heeft, als een magneet. Het is je liefde voor het leven en je liefde voor God, die je hier heeft gebracht. Een liefde die God in je heeft gelegd. Dat te beseffen maakt je nederig en ontvankelijk.
In deze dagen van Kerst worden weer miljoenen mensen als door een magneet aangetrokken door dat het goddelijke kind in de stal. Ook wij staan daar temidden van de arme herders. Onthecht, ontroerd. In onze vieringen staat altijd een icoon bij het altaar. Daarop staat Maria en haar goddelijk kind. Ze nodigen ons uit: durf de soms moeilijke weg van je leven te gaan. In je brandt een vuur. Het is de liefde, die uit God zelf voortkomt. Het is de bron van je bestaan. Je kunt er een levend contact mee opbouwen. Ga de weg. Totdat je bij de bron bent, en God kunt ontmoeten van aangezicht tot aangezicht. We werden als door een magneet vanavond hiernaartoe getrokken, naar de Zoon van God, geboren in een stal. Onze reis naar binnen heeft ons gebracht bij het licht. Moge het ons allemaal verwarmen. Dan wordt het voor ieder van ons een zalig kerstfeest. Amen.