Wij kunnen God zien

Feest · 25 december · Kerstmis · wit

In een ver land, zo vertelt de bekende schrijver Leo Tolstoj, leefde er een oude koning, die geen vreugde had aan zijn leven. Hij zei: ‘Alles wat een mens zien en beleven kan heb ik ervaren en gezien. Alleen God heb ik nog nooit gezien. Hem zou ik eens graag zien.’ Nu gaf de koning bevel aan de wijzen en de priesters van zijn rijk: zij moesten hem God laten zien, zoniet zouden ze zwaar gestraft worden. De koning gaf hun drie dagen tijd. De priesters en de wijzen werden door een grote angst overvallen, want ze dachten allemaal dat hun laatste uur geslagen had.
Na precies drie dagen liet de koning de priesters en de wijzen roepen. Het was rond het middaguur, en de zon stond hoog aan de hemel. Niemand van hen kon de koning God tonen. Zij vreesden dat de koning hen allemaal met de dood zou straffen. Maar toen kwam er een herder uit het veld. Hij had van het bevel van de koning gehoord, trad moedig vooruit tot bij de vorst en zei: ‘Sire, ik wil uw wens vervullen.’
Iedereen stond stomverbaasd. ‘Goed,’ zei de koning, ‘maar weet wel dat je met je eigen leven speelt.’
Zonder daarop een antwoord te geven leidde de herder de koning naar een vrije plaats voor het paleis en wees naar de zon. ‘Kijk naar de zon,’ sprak hij. De koning hief het hoofd omhoog en wilde naar de zon kijken, maar de schittering van de zon verblindde zijn ogen zodat hij ze weer moest sluiten.
‘Wil je soms dat ik het licht van mijn ogen verlies?’ zei de koning geërgerd tegen de herder. ‘Maar Sire, het is toch maar de zon, die God geschapen heeft. Het is maar een afstraling van zijn grootheid, een kleine vonk van zijn stralende kracht. Hoe wilt u dan met twee zwakke, betraande ogen God zoeken? Zoek hem met andere ogen!’
Dat antwoord beviel de koning, en hij zei tot de herder: ‘Je bent een verstandig man. Geef dan ook antwoord op mijn vraag: Wat was er vóór God?’
De herder dacht even na. Toen zei hij tegen de koning: ‘Wees niet boos vanwege mijn vraag, maar begin eens te tellen.’ De koning begon te tellen: ‘Een, twee, drie…’ ‘Nee,’ onderbrak de herder, ‘begin met wat ervoor komt.’ ‘Hoe kan ik dat? Voor één komt er toch niets!’ ‘Zeer verstandig gesproken, Sire, ook voor God komt er niets.’ Dat antwoord beviel de koning nog meer, en hij zei: ‘Ik zal je rijke geschenken geven, maar eerst moet je me nog op één vraag antwoorden: Wat doet God?’
‘Goed,’ zei de herder, ‘ook hierop zal ik u een antwoord geven, maar laten we dan eerst even van kleren verwisselen en laat mij op uw troon gaan zitten.’
Daarop legde de koning zijn koninklijke gewaden af en trok de kleren van de herder aan. De herder trok de koningskleren aan, zette zich op de troon met de scepter in zijn hand en wees op de koning, die in herderskleren onder aan de trappen van de troon stond. ‘Zie, dat doet God. Hij stijgt zelf van zijn troon en verheft de armen…’
De koning stond daar een hele tijd zwijgend. Toen zei hij alsof hij uit een droom ontwaakte: ‘Nu zie ik God.’

Wie van ons zou er niet graag God zien? Maar had de herder geen gelijk? Wij kunnen de glans van de zon niet verdragen. Hoe zouden wij dan God kunnen zien, die in het ontoegankelijke licht woont? En toch heeft God zich kenbaar gemaakt in zijn Zoon: in Jezus, ‘het Woord dat is vlees geworden’. Daarvan spreekt de proloog van het Johannes-evangelie op indrukwekkende wijze.

Vóór Jezus was er niets en is er niets. In Hem spreekt de Vader zich uit. Door Hem roept Hij alles tot leven, en laat Hij alles wat is, deelnemen aan zijn licht en leven.

En Jezus, die vóór alles en boven alles is, is van van zijn troon afgedaald en heeft zijn God-zijn verborgen: het Woord is vlees geworden. Deze bijbelse zin betekent in gewone taal: Jezus heeft alle armzaligheid van ons mens-zijn op zich genomen en is in alles, behalve in het kwaad, aan ons gelijk geworden: in lijden, in angst en dood. En dit om de armen, de kleinen en allen die in Hem geloven te verheffen.

En allen die in Hem geloven gaf Hij de macht kinderen Gods te worden. Hij werd mens opdat wij zijn heerlijkheid zouden aanschouwen. In Jezus heeft God een menselijk gelaat aangenomen. In zijn doen en spreken, in zijn hele leven is God zichtbaar geworden. Om dat te kunnen zien moeten wij wel andere ogen hebben: ogen van geloof, ogen van liefde.

Zoeken in Preken Online