Vannacht vertelde evangelist Lucas ons het verhaal van de wonderlijke geboorte van het goddelijk kind in de stal; het is alsof hij erbij heeft gestaan in die stal van Bethlehem, tussen de herders, het allemaal van nabij heeft gade geslagen, de engelenmuziek heeft gehoord, en het allemaal in details heeft opgeschreven in zijn notitieboekje, een soort ooggetuigeverslag.
De evangelist Johannes vertelt ons op deze kerstmorgen over datzelfde kind, maar vanuit een heel andere invalshoek. Hij heeft hem meegemaakt van nabij toen Hij volwassen was; hij had een hechte band met Hem; hij was zijn geliefde leerling. Johannes schrijft 50 jaar na de dood van deze uitzonderlijke mens en hij denkt na. Hij reflecteert over wie deze mens toch wel geweest kan zijn, waarom Hij zo bijzonder was, wat met zijn komst in onze wereld op gang is gebracht; Johannes schrijft zijn reflecties neer. Zijn evangelie is geen ooggetuigeverslag, maar een theologisch verhaal.
Johannes is niet zo geïnteresseerd in details, in hoe, waar en wanneer Jezus precies geboren is, en wat daaromheen allemaal gebeurd is. Wat Hem bezig houdt is de vraag: wie is toch die Jezus, die zoveel heeft teweeggebracht in onze geschiedenis, goddelijke trekken vertoonde, waar komt Hij toch vandaan, waar ligt zijn oorsprong? Daarom begint Johannes zijn verhaal met “in het begin” en hij legt het als het ware naast het verhaal van de schepping, dat ook opent met “in het begin”.
In het scheppingsverhaal staat Gods woord aan het begin van alles wat geschapen is; elk van de zes dagen begint met: ‘God sprak’ en dan zien we dat de schepping zich voor onze ogen ontvouwt. In het verhaal over Jezus gebeurt iets insgelijks; de nieuwe wereld die Hij bracht ontstaat ook door Gods spreken; Gods woord wordt letterlijk mens in Jezus van Nazareth. Daarover vertelt Johannes in zijn evangelie; het is zijn theologie in een notendop: God wordt vlees en bloed in Jezus, God komt onder ons wonen in Jezus.
Daarop willen wij met de evangelist Johannes doordenken: “Gods woord is vlees geworden, en is onder ons zijn tent komen opslaan; wij hebben zijn heerlijkheid gezien.” Het gaat met kerstmis niet zozeer over iets dat in een ver verleden, 2000 jaar geleden, gebeurd is. Het gaat over iets heel concreets, iets heel nabij en belangrijk voor ons nu, over de vraag namelijk, die in elk van ons leeft: een mens te zijn op aarde, hoe doe je dat? Het gaat over God dichtbij brengen, onder ons, door zo goed als God te zijn; over God aan het licht brengen in deze wereld, door in het voetspoor van zijn Zoon te gaan.
Want wat laat Jezus zien? Dat echte menselijkheid, zoals die uiteindelijk door God bedoeld is, mogelijk is en voorkomt, al wordt ze ook elke dag weersproken door schreeuwerige oorlogstaal, door agressie en geweld, op grote schaal en op kleine schaal. Jezus zet ons telkens weer in beweging en houdt ons in de buurt van het kostbaarste dat diep in ieder van ons leeft: de mogelijkheid tot ‘goddelijke mildheid en trouw’. Jezus laat zien dat het anders kan, dat wat wij zien in onze wereld niet hoeft te blijven.
Hij deed dat eigenlijk heel eenvoudig. Hij begon zelf een licht te zijn voor iedereen die Hij tegenkwam, gul en zonder aanzien des persoons, zonder te letten op arm of rijk, op invloedrijk of uitgestoten. Hij genas de dochter van een voorganger in de synagoge, de dienaar van een honderdman, maar ook de dochter van een buitenlandse vrouw. Hij ging om met schriftgeleerden en rijke weduwen, maar ook met tollenaars en publieke vrouwen. Hij liet zich niet afschrikken door melaatse mensen. Hij genas op sabbat en bracht troost en bemoediging aan mensen die het niet meer zagen zitten. Hij vertelde over God die van alle mensen houdt, die je Vader of Moeder mag noemen, op wie je altijd mag vertrouwen. Zo bracht Hij God aan het licht.
Zoals Hij kunnen wij worden. Wij mensen kunnen openbloeien tot wat ze zelf niet hadden bedacht of voor mogelijk hadden gehouden. Bethlehem mag in zekere zin lang geleden en voorbij zijn, maar dat er iets in ons kan plaats vinden en groeien van die Jezus, dat is allesbehalve voorbij; dat wij - ieder van ons - kunnen uitgroeien tot iets goddelijks, dat is niet voorbij. Jezus heeft laten zien hoe wij bedoeld zijn, hoe wij kunnen worden als mens. Hij is de uitvergrote foto van wat er diep in ons allen aan hunkering en verlangen en potentieel leeft. In Hem mogen wij onze diepste aanleg kennen. De echte mens, de mens zoals die bedoeld is, sluimert in ieder van ons. Daarmee raken wij aan de kern van het evangelie vandaag: wij zijn niet alleen maar vlees en bloed, niet uit man en macht, maar uit God geboren. Wij zijn, ondanks al onze tekorten en beperkingen, dragers van een groot geheim, van de bijna onbeperkte mogelijkheid om als mens zo goed als God te zijn.