God redt ons uit onze duisternis

Feest · 25 december · Kerstmis · wit

Beste vrienden,

Het was een groot duister en akelig gewelf, een grote kelder, diep onder het huis. En gemeten aan de grootte van de kleine jongen was hij akelig groot.

Die kleine jongen stond er nu middenin, middenin dat akelige gewelf, en weende luid. Hij moest drank gaan halen en had boven aan de trap vergeten het licht voor beneden aan te steken. Nu stond hij daar, middenin de kelder, en weende. Hij was bang, want het was er griezelig en donker.

Plots ging de deur bovenaan de trap open en zijn vader verscheen op de bovenste trede. “Dommerdje,” riep hij naar beneden. “Waarom steek je het licht niet aan?” Hij zei het en bediende de lichtschakelaar. Licht flakkerend begon de tl-buis aan het plafond te branden. Helder licht vulde de kelder met de kleine jongen. Die stond nog altijd midden in de kelder en weende.

Neen, hij was nu niet meer bang omdat het donker was, maar hij was alleen. Het was wel helder licht in dat grote keldergewelf, maar het jongetje stond er nog steeds middenin en was moederziel alleen.

Was de vader toch maar die trap af gegaan, had hij de kleine jongen toch maar in de arm genomen, hem vast tegen zich aan gedrukt en hem getroost, dan had het zelfs gerust donker kunnen blijven. Soms is duisternis minder erg dan alleen zijn.

Andere vaders weten dat. Onze Vader in de hemel, die weet dat blijkbaar ook, want doet meer dan alleen maar het licht aansteken. Ja, om het licht bekommert Hij zich schijnbaar zelfs nog het minst.

Ofschoon de Bijbel, wanneer het over Kerstmis gaat, toch altijd weer van licht spreekt: van een heldere ster, van licht dat de herders omstraalt, en van het volk dat in het duister zit en plots helder licht ziet. Hoewel er steeds weer over licht wordt gesproken, staat dat licht zelf helemaal niet in het middelpunt.

Het lijkt er helemaal niet om te gaan dat het helder licht zou worden. Het begint er reeds mee dat het licht dat de herders op het veld zagen helemaal niet zo fel kan zijn geweest, want enkele kilometers verder, in het stadje Bethlehem, had blijkbaar niemand er iets van gezien.

De nacht is gebleven. Kerstmis heeft ze niet verdreven. Helemaal niet: “Duisternis wijk, er kome licht!” De duisternis, en dan vooral die duisternis die in ons mensen heerst, die lijkt me soms zelfs nog groter te zijn geworden. Het duister dat in ons mensen thuis is, die donkere plaatsen binnen in ons, waar we doorgaans veel meer last hebben dan van de duisternis in de nachtelijke uren, dat duister is helemaal niet kleiner geworden.

Ondanks Kerstmis zijn mensen treurig, vertwijfelen mensen aan hun leven, ondanks kerstmis worden wordt er aan anderen pijn gedaan, wordt er in het Midden-Oosten geschoten, verkracht en gemoord. God zou het gekund hebben! Hij had, juist zoals met een schakelaar, alle duisternis in een keer kunnen laten verdwijnen. Hij heeft dat niet gedaan. En misschien heeft Hij het daarom niet gedaan omdat Hij, ondanks al onze voorstellingen, heel goed weet dat ons dat niet vooruit zou helpen.

De kleine jongen stond nog altijd wenend in de kelder, ondanks het feit dat het licht reeds lang terug aangestoken was. Wanneer iemand zo in zijn angst is verstrikt, dan helpt licht alleen niet meer. Wie zich, zoals wij mensen, in de duisternis heeft verstrikt, die vindt alleen geen uitweg meer, ook al is alles nu tot in het kleinste hoekje verlicht.

Dan is er eerst en vooral iemand nodig die de armen om me heen slaat, wiens nabijheid ik kan voelen en die met me mee gaat.

God heeft het niet zo gedaan zoals die vader met de kleine jongen in de kelder, Hij heeft niet gewoon het licht aangestoken en ons dan gewoon alleen gelaten. God is zelf naar beneden gekomen! Hij is de ganse lange trap afgedaald. Hij is in de duisternis van deze wereld afgedaald, om ons in zijn armen te kunnen sluiten, om ons heel nabij te kunnen zijn, opdat we zijn warmte zouden kunnen voelen en niet meer alleen zouden zijn.

Misschien weet Hij wel, net zoals een liefhebbende moeder en een liefhebbende vader, dat het dikwijls niet helpt als we gewoon het licht terug aansteken, misschien weet Hij dat het, zeker in het begin, veel belangrijker is om het kind in de armen te nemen en dicht tegen zich aan te drukken.. De donkere hoekje kan je ook daarna nog oplichten, en samen kan je de duisternis zelfs nog veel beter overwinnen.

Op zichzelf bekeken kan ook het helderste licht toch volledig koud zijn. Maar door de mens geworden liefde van God wordt onze wereld, misschien maar heel langzaam, maar dan toch pas echt van licht doordrongen. Ook dat is de boodschap van Kerstmis: God verlicht niet gewoon onze duisternis, maar Hij daalt met ons af in die duisternis, opdat voor ons zelfs de diepste duisternis niet meer donker zou zijn. Amen

Zoeken in Preken Online