Tenhemelopneming van Maria

Feest · 15 augustus · Maria ten hemelopneming · wit

Homilie op het Feest van de Tenhemelopneming van Maria:

Maria, onze lotgenote en onze toevlucht!

Tielt, 15 augustus 2014

Bij de restauratie van de Sint-Pieterskerk enkele jaren geleden viel het op dat de binnenkant van de brandramen beroet was door de vele kaarsen die jaar in jaar uit voor de heiligenbeelden, vooral voor de Mariabeelden, in de kerk branden. Wanneer ik zoveel mensen, zowel kinderen als jongeren en volwassenen, een kaars zie aansteken, denk ik soms: ik wou dat ik even in je hart mocht kijken. Wat gaat er in je om bij dat gebaar? Als je daar zo stil staat te kijken, bid je dan met woorden of zijn woorden te moeilijk bij het bidden? Misschien wel, want de officiële gebeden van de Kerk zijn zo plechtig en artificieel. Ze passen zo slecht bij de eenvoudige taal van boodschappen doen, van nieuwtjes uitwisselen, van dagdagelijkse problemen bij de opvoeding van je kinderen. Het zou nochtans moeten kunnen: bidden met heel gewone woorden, die nog vol zitten met de werkelijkheid van de dagelijkse dingen. Maar, wanneer je het probeert, klinkt het een beetje gek. Je struikelt over je eigen woorden als je b.v. tot God zegt: “Heer, die zoon van mij zie ik wel graag, maar in de laatste dagen van deze vakantie is hij zo lastig dat ik hem toch naar de maan zou kunnen schieten.” Het klinkt ook zo raar als je zou bidden: “Heer, mijn vrouw is zo kwalijk niet, hoor, maar als ik geweten had dat ze zo kon zagen over prullenproblemen, dan…”

Omdat wij zo moeilijk onze gewone problemen van elke dag biddend kunnen verwoorden, steken we liever een kaars aan voor het Mariabeeld. Je bidt dan niet met woorden, maar met een gebaar. Eventjes stilstaan en kijken naar het vlammetje. Die kaars, dat ben ik. Een vlammetje dat flakkert en warmte geeft. Die rustige vlam die bereid is zich te geven en langzaam op te branden. Het beweeglijke vlammetje dat ook lijkt tegen te stribbelen om zichzelf te geven. Wat is zo een kaarsvlammetje kwetsbaar en makkelijk uit te blazen. En dan denk je misschien iets als: “Moeder Maria, ik moet naar het ziekenhuis en ik durf tegen niemand zeggen hoe bang ik ben.” Of denk je misschien iets als: “Maria, met uw Zoon heb je het ook niet gemakkelijk gehad. Maar wat heb ik in ’s hemels naam verkeerd gedaan dat mijn kinderen zulke egoïsten zijn geworden?”

De Mariadevotie, in tegenstelling tot de zondagsmis, heeft de stormen van de tijd doorstaan, omdat veel mensen in de Moeder van Jezus een toegankelijke lotgenote blijven zien. Ook haar leven heeft zorgen en spanningen gekend. Ook zij heeft geleefd met vragen en verdriet: een zeer bewogen leven vanaf de geboorte van haar Zoon tot aan zijn dood op het kruis. Maar ze was waar ze zijn moest: Moeder van bijstand, Moeder van Smarten, enz… Wat een voorbeeld voor ons allen!

En ze is zo menselijk. Ook al werd ze opgehemeld als Moeder van God, ook al kreeg ze de prachtigste en meest verheven titels, ze bleef tegelijk heel gewoon: Moeder Maria, toevlucht in alle nood, troosteres voor wie met zijn droefheid geen raad weet, helpster in alle nood, vooral in het gewone dagelijkse leven. Op haar kun je altijd rekenen. Bij haar kun je altijd terecht met je vragen en zorgen: ze weet waarover je het hebt.

Dat is het gevoel dat door de eeuwen heen leeft in de talloze Marialegenden.

Eén van die mooie Marialegenden is die van Beatrijs. Veertien jaar lang vervult Maria in de plaats van Beatrijs in het klooster de taak van kosteres. Zij doet dat opdat niemand zou merken dat de jonge non Beatrijs uit het klooster gevlucht is met de jongen op wie ze al jaren verliefd was. Zeven jaar lang leven Beatrijs en haar vriend rijk en gelukkig en daarna volgen zeven jaren van armoede, waarin Beatrijs als prostituee de kost verdient voor haarzelf en haar twee kinderen, nadat haar vriend haar in de steek gelaten heeft. Wanneer berouw en wroeging haar te sterk worden, keert ze terug naar de omgeving van het klooster en daar hoort ze hoe heilig en geliefd de kosteres Beatrijs toch wel is. Ze ontdekt dat niemand weet dat ze veertien jaar geleden het klooster verliet. Wanneer een stem tot driemaal toe haar aanspoort terug te gaan naar het klooster, gaat ze in de nacht terug, vindt de deur open en merkt ze dat de kloosterkleren voor haar klaar liggen. Maria viel voor haar in omdat ze nooit, ook niet toen ze in de diepste ellende zat, vergat even tot Maria te bidden.

Dat is natuurlijk een legende. Maar legenden verwoorden altijd de verlangens, de dromen, de idealen van de mens. Legenden zijn dan ook veel rijker, veel boeiender dan de historische werkelijkheid. Want de historische werkelijkheid geeft enkel weer wat de mensen van die mooie dromen gerealiseerd hebben. Dat is meestal niet veel. Daarom is de historische werkelijkheid lood op de vleugels van de menselijke verbeelding, van de menselijke dromen en idealen.

Als je niet weet hoe je de noden en verlangens die in je hart leven biddend kunt verwoorden, steek dan maar een kaars aan en staar maar even voor je uit naar dat beweeglijk vlammetje. Of, als je niet weet wat je zeggen moet, neem dan even je paternoster en bid je rozenkrans, een gebed dat de Franse theoloog Sertillanges noemde: “une sainte distraction à l’honneur de la Sainte Vierge” (een heilige verstrooidheid of ontspanning ter ere van O.L.V.) Je zal misschien jezelf terugvinden in die blijde, droevige en glorievolle mysteries. Je zal wellicht opgebeurd de kerk verlaten.

En wat opbeuring en ontspanning kunnen wij in onze gespannen en gestresseerde maatschappij best gebruiken.

Dat alles vieren we vandaag op dit Feest van de Tenhemelopneming van Maria.

Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt


Homilie op de 20e zondag door het jaar A: Blaffende honden en kruimeltjes

brood (Mt. 15, 21-28)

Zusters Passionistinnen, Tielt, 14 augustus 2011

Wat hebben we met de Bijbel gedaan? Hebben we hem niet al te vaak misbruikt in plaats van gebruikt? We hebben er een snijkoek gemaakt. Je snijdt er maar af en iedereen smeert erop wat hij lekker vindt. Voorbeelden zijn er bij de vleet: uit de geschiedenis en uit onze tijd.

Geen boek is zo vaak misbruikt als de Bijbel. We hebben de verhalen van de Schrift gevangengezet in conservatieve dogmatische systemen, maar ook in de boeien geklonken van progressieve ideeën en modieuze slogans. Voor sommige kwakkelende christenen was de Bijbel een soort huisapotheek, waarin je voor elke kwaal of elk zeer een medicament vindt. Anderen maakten van de Bijbel een stok om te slaan in plaats van een staf om mee te gaan.

Als je de Bijbel wilt uitleggen, moet je voorzichtig zijn. Voordat je het beseft heb je er iets op gesmeerd wat jij toevallig lekker vindt. Ongehoord hoe soms bijbelteksten uit hun verband worden gerukt, een eigen leven gaan leiden en gebruikt worden voor het eigen gelijk. Eerst wat beweren en daarna snel er wat bijbelteksten bij zoeken. Zo worden bijbelteksten gebruikt om er mensen mee om de oren te slaan en mensen aan de kant te zetten.

Vaak proberen we de Bijbel op onze eigen maat te snijden. Zo zijn er mensen die veel moeite hebben met de evangelielezing van vandaag. Stel je voor: de Jood Jezus die over de heidenen spreekt als over honden. Zou Jezus dan toch een racist zijn?

Het lijkt wel een ideale tekst voor de ultrarechtse mensen in West-Europa: koren op de molen van al degenen die vreemdelingenhaat verkondigen en in de praktijk willen omzetten. “Eigen volk eerst!” Heidenen vergelijken met honden lijkt ons heel onfatsoenlijk, maar het schijnt in Jezus’ tijd niet ongewoon te zijn geweest. De Joden in die dagen keken vanuit de hoogte neer op allen die niet tot Gods uitverkoren volk behoorden. En in deze evangelietekst lijkt het erop dat Jezus daarin meegaat.

Het lijkt op een eerste zicht discriminerend, maar toch steekt er een heel wijze les in voor ons, volgelingen van Jezus. Wie Jezus volgt hoeft niet iedereen kritiekloos in zijn armen te sluiten. Iemand met argusogen bekijken mag en moet zelfs. Een afwachtende en nieuwsgierige houding is soms vruchtbaarder dan die verfoeilijke tot niets verplichtende mentaliteit van “uiteindelijk zijn we toch allemaal hetzelfde.” Moeten wij zo gelukkig zijn omdat meer dan drie vierde van de leerlingen in Vlaanderen katholiek onderwijs volgen, zowel gelovige als ongelovige, waardoor onze christelijke soep zo dun en smaakloos is geworden? Moeten wij als christen zo gelukkig zijn met het succes van onze christelijke jeugdbewegingen en bewegingen voor volwassenen, waar je geen enkele geloofsbrief moet voorleggen om er lid van te zijn? Past op dat alles wel het etiket “christelijk”? Is van het geloof bij de leden nog iets te merken in hun manier van samenzijn, in hun stellingnamen? Geen wonder dat ze de “C” uit hun naam schrappen! En nu houd ik geen pleidooi voor een elitaire selectie, wel voor mentale eerlijkheid.

Bij Jezus gaat het niet om discriminatie. Integendeel! Als Hij het grote geloof ziet van die vreemde Kananeese vrouw en zoveel zorg voor haar zieke dochter, wijst Hij haar niet langer af. Hij stelt zich zeer ruimhartig op en geneest haar ziek kind.

Die ruimhartigheid van Jezus staat in schril contrast met gelovigen die zich druk maken over de zuiverheid van de katholieke geloofsleer, de triestige beginselmaniakken. Ze houden niet van een open Kerk; oecumene vinden ze gevaarlijk; alle lekenwerk vinden ze maar lapwerk en pleisters op het houten been van de pastoraal. Dat is jammer. Dat is nefast voor onze Kerk.

Uit Jezus’ ruimhartige levenshouding kunnen we veel leren. Wij moeten open blijven staan voor de tekenen van onze tijd en voor de ware noden van de mensen. Vooral als mensen niet in ons kraam passen, moeten we oplettend en voorzichtig zijn. Misschien wil God precies door hen ons nieuwe wegen wijzen.

Hoe vaak denken we niet dat de ander niet in ons levensplan past? Een familielid wordt zwaar ziek en wordt een levenslange belasting; je kind is gehandicapt: een probleem- en zorgenkind voor de rest van je dagen; je man of vrouw laat je in de steek: een uitzichtloze situatie; je buurman zit in grote nood: een lastpost. Hoe dikwijls zouden ook wij net als de leerlingen niet willen zeggen: stuur ze maar weg, dat past niet in ons levensplan. Die mens in nood komt op je af en je bent bang voor hem of haar, want die kunnen je leven in de war sturen. Je hebt je handen niet meer vrij. Het is soms erg moeilijk je te laten leiden door mensen in nood. Je gaat liever je eigen dwaalwegen dan de weg die God ons wijst.

We mogen het geluk, de middelen van bestaan, het geloof, de Kerk niet voor onszelf reserveren. Hoe meer Jezus met mensen omging, hoe ruimdenkender Hij werd. Hoe meer Hij hun achtergrond en goede bedoelingen kende, hoe ruimhartiger Hij werd.

Hij sloopte de muren van het eigen belang, het eigen gelijk en zelfs het eigen geloof.

Verschiet niet als je ondervindt dat die muren zeer dik zijn.

Gab. Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online