Het is, in ieder geval voor ingewijden, duidelijk dat Maria voor christenen de geliefste mens op aarde is geweest en nog is: wij kunnen en willen baar niet vergeten. Daarom deze feestdag.
Hoeveel miljoenen kaarsen zullen er vandaag branden voor haar beeltenis? Hoeveel bedevaartplaatsen in alle landen vandaag bezocht worden? En op duizenderlei manieren is zij afgebeeld en versierd door de verering en eerbied van de mensen. Haar zoon Jezus kennen we eigenlijk alleen in zijn ontluistering aan een kruis, zijn moeder veel meer in haar verheffing, haar vaak schitterende gewaden, de kroon die zij draagt, de slang overwonnen onder haar voeten.
Wellicht hebben wij zoveel aandacht voor de moeder van Jezus, omdat wij God, die toch al onvoorstelbaar is, vaak hebben leren kennen als een strenge God; een God die oordeelt en boekhoudt, die het goede beloont en het slechte straft. En die straffen zijn niet zo zuinig, zo hebben we geleerd. En in die schaduw van God staat ook Jezus, die ‘komen zal op de wolken en de levenden en doden zal oordelen.’
Is het ook God niet, die wij toch vaak ook verantwoordelijk maken voor alle tramme-lant en ellende in onze wereld? Waarom laat Hij dit of dat gebeuren enzovoorts?
In de God van pater Hendrik kunnen wij maar moeilijk geloven. Kent u pater Hendrik en zijn gedachten over God?
De blinde pater Hendrik had een drukbeklante biechtstoel - het was in de tijd dat er nog veelvuldig werd gebiecht - en dat kwam omdat hij zowat alles goedpraatte. Veel begrijpen immers is veel vergeven. Een van zijn penitenten, voorwaar geen lieverd je, zei op het eind van zijn biechtgesprek: “Ja pater, als God er zo over zou denken als u dan zou ik er wel komen.” “Maar beste man, God denkt nog duizend keer aardiger dan ik.” Woord van pater Hendrik.
Als we dát maar konden geloven. En dan komt om ons daarbij een steun te zijn Maria in zicht. Maria, van wie wij aanvoelen dat zij iets heel bijzonders met God heeft en Hij met haar. Maar zij hoort bij ons, zij staat aan onze kant. Tegen haar kunnen we zeggen dat we soms niets van God begrijpen. Haar kunnen we vragen om verheldering, om antwoord en we hebben het idee dat zij het hoort. Dat zij ons onbegrip en onvermogen meeneemt, dat het bij haar in goede handen is.
En tegelijkertijd, terwijl ik mij en mijn belangen zo bij haar aanbeveel, sterkt het mijn hoop, dat het uiteindelijk goed komt, met mijn leven en met de wereld om mij heen.
Want ik ben geneigd de moed te verliezen. Als ik dan Maria zie, op de kruisweg onder het kruis, met de dode Jezus in haar schoot en we vieren vandaag, dat ze toch overeind gebleven is, dat haar vertrouwen sterker was dan alle geweld, dan kan ik weer vooruit. Maria hoeft mijn sommen, mijn levenstaak niet te maken, maar ik kan haar vragen mijn geloof te versterken, dat ik het zelf kan en het tot een goed eind zal brengen. Haar hemelvaart, haar goede einde ondanks alles, is gelukkig ook het onze. Daarop wil ik vertrouwen. In dat vertrouwen zal zij mij steunen.