Zusters en broeders,
We beschikken in onze taal over een schat van Marialiederen, zo van: ‘Liefde gaf U duizend namen’, en ‘Hoge Vrouwe in de hemel’, en meer van die dingen. En in het meilof noemen we Maria ‘Machtige Maagd’, ‘Toren van David’, ‘Koningin van de hemel’ en nog veel meer. Allemaal even mooi en even idyllisch, en getuigend van de diepe Mariaverering die er in de loop van de eeuwen in onze streken geweest is. Alleen, ik weet niet goed waar dat idyllische beeld vandaan komt. Alleszins niet uit de bijbel, want daar merk ik een heel ander beeld. Ik heb daar al op gewezen op het Feest van de Heilige Familie de zondag na Kerstmis. Vandaag wil ik daar een beetje dieper op ingaan.
Het begint al met de de geboorte die allesbehalve romantisch verliep: ver van huis, in een stal, met als enige gezelschap een paar herders uit de buurt. Het bezoek van de Koningen is een hoogtepunt, maar het wordt onmiddellijk teniet gedaan door Herodes: Maria, Jozef en het kind moeten ijlings vluchten. Ze worden asielzoekers in een vijandig land. Wanneer Jezus later als eerstgeborene in de tempel aan God wordt opgedragen, voorspelt de oude Simeon: ‘Dit kind zal worden tot een teken dat weersproken wordt, en uw eigen ziel, Maria, zal door een zwaard worden doorboord.’
Zusters en broeders, ik noem dit alles niet echt een idyllisch plaatje, maar veeleer pijn en verdriet. En het wordt er niet beter op. Het eerstvolgende wat we van Jezus vernemen is dat Hij als twaalfjarige na het Paasfeest in zijn eentje in de tempel achterblijft, en dat hij zijn doodongeruste ouders niet echt vriendelijk aanspreekt wanneer ze hem terugvinden: “Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” En de bijbel vervolgt: “Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde.” Het zou niet de laatste keer zijn dat ze Hem niet begrepen. Zoals die keer in Kana, op de bruiloft. Wanneer Maria bezorgd zegt: “Ze hebben geen wijn meer”, antwoordt Jezus kortaf: “Vrouw, is dat soms uw zaak?”. “Vrouw” noemt Hij haar, niet ‘moeder’. Of die keer dat de omstaanders Hem zeggen dat zijn moeder en zijn broers buiten op Hem wachten. Hij laat zijn blik over zijn toehoorders gaan en zegt: “Kijk, hier zijn mijn moeder en mijn broers. Want wie de wil doet van God, die is mijn broer en mijn zuster en mijn moeder.” Of neem het Laatste Avondmaal, de viering van het joodse Paasfeest. Eeuwenlang al gebeurt dat in familiekring, en geen jood die er tot op vandaag zou aan denken dat te veranderen. Behalve Jezus: Hij viert het feest niet met zijn familie, maar met zijn apostelen. En ten slotte wil ik nog wijzen op een pieklein tussenzinnetje in het Marcusevangelie. Jezus is in Judea als Hij verneemt dat Johannes de Doper is gevangen genomen, en Hij beslist, waarschijnlijk om veiligheidsredenen, om uit te wijken naar Galilea. En dan vervolgt de evangelist: “Met voorbijgaan echter van Nazaret vestigde Hij zich in Kafarna