Maria Tenhemelopneming (2007)

Feest · 15 augustus · Maria ten hemelopneming · wit

Het feest dat wij vandaag vieren vindt zijn oorsprong in de wijding van de kerk te Jerusalem ter gedachtenis van Maria’s ontslapen en van haar ten hemelopneming. Op die plaats staat nu een benedictijnerabdij. In de krypte is een beeld van Maria op haar stervenssponde, omringd door de twaalfs apostelen. Deze afbeelding van het aardse levenseinde is gebaseerd op de apokriefe verhalen die in de vroege christentijd al de ronde deden, en veel wonderbaarlijks bevatten.

In het gewelf van diezelfde krypte, boven het beeld van de moeder Gods, is een andere afbeelding, een mozaiëk, dat een echt bijbelse kijk geeft op waar het vandaag om gaat. Daar staat in de koepel van die krypte, Christus afgebeed, die omringd wordt door de gestalten van zes grote vrouwen uit de geschiedenis van Israël: Evan, de moeder van heel het menselijk geslacht: Mirjam, de zuster van Mozes, die haar kleine broertje te vondeling legde in de Nijl, en die zo dapper optrad toen de dochter van Farao belangstelling voor hem toonde: Jaël, de moedige vrouw uit het tijdperk der Rechters, door wier hand Sisera, de vijand van de Israëlieten, gedood werd; Ruth, de Moabitische die een schakelfiguur werd in de geslachtslijst van koning David en van Jezus Christus; Judith, die ook bevrijding bracht aan Israël door Holofernes te verslaan en Esther, de koningin, die haar volk behoedde voor de ondergang. Allen vrouwen, die een zegen zijn geweest voor hun volk, en die bezongen worden in psalmen en liederen, moedige vrouwen, die een centrale rol hebben gespeeld in de heilsgeschiedenis. Hun optreden mag nooit worden vergeten en hun betekenis mag niet worden onderschat. Zij omringen de gestalte van Christus, die daar aanwezig is om zijn Moeder Maria, de nieuwe Eva, de eer te bewijzen die haar toekomt. Zij heeft in onze kerk een ereplaats, want God heeft welwillend op haar neergezien.

Hij heeft welwillend op haar neergezien, maar haar de beproeving niet bespaard. Voor velen is deze wereld geen idylle, maar een nachtmerrie. De eerste lezing beschrijft dit met een pakkend beeld. Een vrouw, een aanstaande moeder, bedreigd door een monsterachtige draak. De vrouw lijkt onaantastbaar. Zij rijst schitterend op; bekleed met de zon, de maan onder haar voeten, 12 sterren in haar kroon. Maar de draak veegt met zijn vuile staart de sterren van de hemel; alle droomen en illusies worden door het slijk gesleurd. De ondergang lijkt zeker, maar God brengt uitredding, en brengt de vrouw naar een veilige plaats, terwijl Michaël de draak bestrijdt en verslaat.

Deze geheimzinnige, aangrijpende tekst uit het Boek Openbaring wordt door de liturgie toegepast op dit feest van Maria’s ontslapen. De schrijver van de Openbaring heeft de vrouw waarschijnlijk vooral gezien als personificatie van Israël, eventueel van het nieuwe volk van God; de kerk uit de heidenen.

De taal van de symboliek heeft veel niveaus en staat open voor meerdere toepassingen. De liturgie presenteert ons het model van de Moeder Gods als ikoon van Gods handelen met ieder menselijk wezen. Maria, die de tederheid van Gods’mensenliefde heeft ervaren, en de vrucht daarvan heeft mogen dragen, is door Gods’ genade bewaard, niet voor het lijden, niet voor de pijn, maar wel voor de vergetelheid en de vergankelijkheid van het stof.

De uitverkiezing heeft Maria vrij gemaakt voor de dienst van het leven. Zij heeft zich de genade niet toegeeigend als een bezit, ze heeft Jezus niet voor zich opgeeist… Haar ziel is voor Hem steeds geweest als een open tuin, een paradijs waar Hij wonen kon, maar waar Hij niet gevangen gehouden werd. Zij heeft Hem niet weerhouden in zijn levenstaak . Met bloedend hart is zij Hem nabij gebleven tot onder het kruis. Door die onzelfzuchtigheid en uiterste liefde is zijn als het ware het goddelijk leven binnen gegroeid. Het evangelie schildert haar in haar dienende liefde naar Elisabeth toe en in de profetische kracht van haar loflied.

Trouw aan de mens, trouw aan haar Heer. Hoe donker het in haar leven ook werd, nooit sloot zij God uit haar hart. Daarom kon God, na haar aardse leven ook onmogelijks iets van haar buitensluiten uit zijn eeuwigheid.

In de prefatie aanstonds zeggen wij dit geloof uit, dat God de Moeder van Jezus nooit heeft laten vallen. En de liturgie geeft als reden ook dat dit is om in ons het geloof levend te houden, dat dit mysterie Gods Volk onderweg tot troost moge zijn. Zo dreigend als dat beeld uit het Boek der Openbring van die vreselijke draak, zo bevrijdend is het beeld van de Moeder Gods die ten hemel wordt gedragen.

Waar is die hemel? Voor Maria is het zonder twijfel; de plaats waar haar Zoon is. Maar haar Zoon, is dat enkel Jezus? Is het niet veel meer de hele Christus; Jezus met alle mensen die Hij zich verworven heeft, ja met heel de schepping, de dieren, de bloemen en de bomen; een nieuwe aarde, zoals hetzelfde Boek der Openbaring die beschrijft.

In de benauwdheid van de tijd worden wij opgewekt en aangespoord om te vertrouwen dat de benauwdheid van de tijd worden wij opgewekt en aangespoord om te vertrouwen dat de hemelse Vader ons niet prijs geeft aan de ellende, maar alle wonden geneest, en allen die Christus toebehoren, en dat is immers héél deze wereld, in heerlijkheid wil laten wonen in zijn paradijs waar hemel en aarde samenvallen.

Zoeken in Preken Online