Er zijn van die verhalen die geen uitleg behoeven. Kanttekeningen en voetnoten kunnen alleen maar storen. Commentaar kan bezwaarlijk beter zijn dan de tekst. Wie zich daar toch aan waagt, mag enkel met een fijn potloodje enkele woorden onderstrepen. Dat is dan wel eventjes een delicate operatie, want een goed lezer zou geneigd zijn elk woord aan te strepen. Zo mooi is dit stuk.
Het gaat over een vader en twee zonen. Welnu, in het geheugen van Lucas’ luisteraars leven nog andere verhalen over twee zonen. We denken aan Kaïn en Abel. De ene is de zoon van de vloek, de andere is de zoon van de zegen. Jacob en Esau, dat is een broederstrijd. Wie van de twee is de zoon van de zegen, wie van de twee is de zoon die de zegen mist? Daarmee zitten we al op een goed spoor. De twee zonen van ons verhaal staan hier in zwart-wit tegenover elkaar. Nu luidt de vraag: wie van de twee wordt door de vader gezegend met een feest?Wie is hier de gezegende? Het is de onverwachte jongste zoon. Het is de minst geschikte kandidaat die hier gevierd en gepromoveerd wordt. Hij mag aanzitten aan de eretafel, met het beste kalfsvlees op het menu. Hij mag de plaats innemen van de oudste zoon. Esau wordt hier nog eens verworpen en Jacob is hier nog eens de onverwachte erfgenaam. Wat mag toch wel het geheim zijn van deze verrassende wending? Wat bezielt toch de vader, die bescheiden hoofdpersoon?
De vader is in elk geval de figuur die voor de verrassing zorgt. Hij had tien redenen om de oudste zoon te belonen. Hij had geen enkele reden om de jongste in de hoogte te steken. Geen enkele reden. Maar, zo zegt Lucas, hier loopt onze redenering vast. Wij kijken te zeer naar de twee zonen. Wij zijn te zeer bezig met de vraag wat een mens moet doen om Gods zegen te verdienen. En dat is in de filosofie van het Rijk Gods een verkeerde vraag. Een zeer gevaarlijke vraag zelfs. Een mens verdient namelijk Gods gaven niet. Nooit. God houdt maar vast aan één enkel prerogatief: Hij wil zegenen wie Hij zegenen wil! Dat voorrecht geeft God niet uit handen. Ook niet voor de trouwe zoon.
Zeker niet voor deze trouwe zoon. Die hield teveel troeven in zijn handen. Hij had zijn handen vol met zijn vele egoverhalen. Gods verrassingen waren aan hem niet besteed. Hij was al zo verzadigd. Een feestmaaltijd kon er eigenlijk niet meer bij. Hij vierde te zeer zijn eigen gehoorzaamheid. De vader kon aan deze zoon niets meer geven: hij was al zo gevuld. Hij leefde in een gesloten circuit waarin hij enkel zichzelf tegenkwam. Hij was geen verloren mens. Hij kon dus ook niet worden gevonden. Hij was de arme trouwe mens die nog nooit de broederschap had ingeoefend. Hij kon namelijk dat ene woord niet over de lippen krijgen: mijn broer. Hij diende alleen maar God. Hij had alle wetten onderhouden, maar de eerste wet had hij nooit begrepen. Arme rijke oudste zoon.
Daarmee zit Lucas helemaal in zijn thema. De God van Lucas is de God van het Magnificat. Dat lied is het resumé van het hele christendom. God overlaadt mensen met zijn gaven. Naar eigen believen. God kan het niet laten lege mensen te vervullen. De jongste heeft het mogen weten.
Ik mag kiezen welke zoon ik wil zijn.