Sinds een paar jaar is de Nederlandse taal met een nieuw woord verrijkt. Nou ja, dat wil zeggen “verrijkt” … ? Je hoort het tegenwoordig met de regelmaat van de klok. Ik bedoel natuurlijk, dierbare gasten, doopleerlingen en parochianen van deze Vredeskerk; ik bedoel natuurlijk het woord GEZINSDRAMA. Het was ook in de afgelopen week weer raak. In Haarlem ditmaal. Een 32-jarige man brengt eerst met messteken zijn schoonmoeder van 58 om het leven om vervolgens bij de spoorwegovergang aan de Liederweg zijn beide zoontjes Hans (6 jaar) en Kevin (4 jaar) onder een voorbijrazende trein te trekken. Arme kinderen. Arme moeder van die kinderen. Arme oma. Arme treinbestuurder en arme politiemensen en anderen die geconfronteerd worden met de gruwelijke resten van dit gezinsdrama en die ze moeten “opruimen”. En tenslotte: arme vader … Want, veelgeliefden, hoe ’n hel moet de ziel van een mens niet geworden zijn om tot zo’n helse daad te komen …
De eerste, extreem lange lezing van vandaag, het dertiende hoofdstuk van het bijbelboek Exodus is ook al zo’n horror-film. Er wordt verhaald hoe, op last van God, de doodsengel rondwaart door Egypteland. Je denkt, bij die term “doodsengel”, aan figuren als dokter Mengele in de nazi-tijd en aan duivelse verpleegsters met nare naalden, zo’n Lucia de B. van wie men beweert dat zij vele oude mensen zogenaamd “uit hun lijden verlost” zou hebben … In Egypte worden alle eerstgebórenen van mens en dier gedood - maar niet bij de israëlieten. Zíj worden gespaard nadat ze met het bloed van een lam de deurposten en bovendorpel van hun huizen hebben bestreken. Opnieuw, veelgeliefden: arme kindertjes en arme Egyptische vaders en moeders - want dat waren toch óók mensen? - En hoe kan het dan in godsnaam dat God zelf de aanstichter van zoveel leed zou zijn? Veelgeliefden, wat is er gebeurd? We zijn er niet bij geweest. We hebben alleen het bijbel-bericht. En wat ik daaruit begrijp is dat er een relatie is tussen enerzijds het leed en het onheil dat de Egyptenaren overkómt en anderzijds het onheil en het leed dat zij hebben aangericht. Ónmensen zijn zij geweest, de farao en zijn volk. Zij hebben de israëlieten op een mensonwaardige manier behandeld. En dát, hun eigen gedrag, slaat nu genadeloos op henzelf terug. Het is een koekje van eigen deeg dat ze krijgen in zekere zin. U weet het veelgeliefden: Wie goed doet, goed ontmoet. Maar dat geldt ook omgekeerd: als jij het leven van een ander tot een hel maakt, dan wordt jouw eígen leven het ook. En dan maakt het niet uit of je zelf de kwade genius bent geweest, zoals de farao of zoals een Hitler, een Stalin , Sadam Hoessein of 11 september-terreurpleger óf dat je alleen maar een meeloper bent geweest onder het motto van “ik kon niet anders” of: “Wir haben es nicht gewußt”. Dat helpt dan niet. Genoemde figuren storten een heel volk, ja de hele wereld in het ongeluk omdat … dat volk en de wereld op de één of andere manier meedoen en meehelpen aan de vermeerdering en de verspreiding van het kwaad. Dat kwaad is als een olievlek. Mensen worden erdoor aangetast omdat zij zich er door láten aantasten; omdat zij het kwaad geen halt toeroepen: Tot hier en niet verder! Hier bij mij houdt het op. Ik zeg “ho”, “halt”! Mensen zeggen dat veel te weinig vaak denk ik …
Afgelopen nacht hebben we met een groepje van hier meegelopen in de Stille Omgang. Na afloop kwam ik met onze boer Jansen, Toon Jansen, van de Amstel, nog wel; wij kwamen te spreken over het wereldwijde klimaat-probleem. Hij heeft nèt met een paar anderen, óók van hier onder anderen, die documentaire van Al Gore gezien. En Toon zei: de natuur regelt, reguleert zichzelf. En hij voorspelt ons een koud voorjaar. Ter compensatie misschien van de warme winter? Ja, veelgeliefden, zo is dat denk ik, Toon heeft gelijk. Wij doen de natuur, onze leefomgeving, het milieu, de aarde geweld aan … en dan slaat de aarde natuurlijk terug, dat kán niet anders, dat kan niet uítblijven. Over gezinsdrama’s gesproken … Bij dát drama van wat er met ons milieu gebeurt is de hele ménsengemeenschap, die hele wereldwijde familie betrokken …
De natuur, de aarde slaat terug, reageert op ontregeling. Dat kan niet anders. En zo, veelgeliefden, denk ik dat het ook zit met God. Ook Gód kan terugslaan omdat mensen Hem soms gewoon géén andere keus laten, omdat mensen God als het ware de hoek in kunnen drijven en kunnen térgen … Dat kan nog lang goed gaan trouwens. Er wordt ons eigenlijk vaak verbazend veel tijd gelaten om ons leven bij te stellen, om het te beteren. Mogelijkheden, nieuwe kansen zát vaak om het anders aan te gaan pakken: verstandiger, eenvoudiger, soberder, liefderijker. Dát veelgeliefden, is precies waar het om gaat in deze Veertigdagentijd: om daar een serieus, ècht nieuw begin mee te maken. En gaan we dat nou dóen of niet? Is het ons nou menens of zien we meer gewoon als een jaarlijks terugkomend ritueel of als een soort spelletje? Gaan we het nu dóen of denken we: laat die God en laat die stem in ons geweten en laat die pastor maar praten? Gaan we het nu dóen of blijven we ons maar volproppen en blijven we maar geld uitgeven vooral aan onszelf en aan onze eigen genoegens en verdiepen we ons in feite nauwelijks in de vastenaktie en in de mensen die daar áchter zitten, in de projecten waarvoor onze bijdrage wordt gevraagd in deze tijd. Hoe groot is de bijdrage die wij gegeven hebben of nog gáán geven? Voelen wij die echt in ons hart en in onze portemonnee of is het meer een fooi? - om van het gezeur af te zijn, om onze zogenaamde “plicht” te hebben gedaan en om de mensen met de mandjes niet te passeren zonder dat ook ónze hand even boven het mandje heeft gezweefd? Hoe oprecht, veelgeliefden, is onze betrokkenheid en ons géven écht? Een gewetensvraag … De schijn ophouden (voor anderen èn voor jezelf) - het kan lang goed gaan mensen. Maar ik geloof: uiteindelijk val je toch door de mand. Want God zíet. Voor Hem kunnen wij ons niet verbergen. En uiteindelijk kan Hij óns alleen maar geven zoals wij geven aan Hem en aan de armen.
Veelgeliefden, is dat alles wat wij vandaag over God kunnen zeggen? Nee! Gelukkig niet! Want er is ook nog het evangelie. En dat voegt nog wézenlijk iets voor ons toe. Het evangelie van “de verloren zoon”. Een aantal jaren gelden was ik op zondagmorgen in een kerkje in Zuid-Duitsland en de priester daar noemde deze evangelie-passage toen: “Het evangelie binnen het evangelie”, oftewel: het evangelie in het kwadraat. In deze evangelie-tekst wordt als het ware het héle evangelie sámengevat. Die berooide jongen. Hij heeft de bloemetjes buitengezet. Hij heeft gefeest en hóe. Hij heeft gezopen en gevreeën en z’n lusten uitgeleefd tot hij er bij neerviel. Hij is helemaal tot het gaatje gegaan. Hij heeft alles uitgegeven. Hij bezit geen rooie cent meer. Hij is helemaal lam. Hij is helemaal zat. Hij is helemaal aan het eind van z’n latijn. Hij kan niet meer. En hij kan geen kant meer op. Sommige mensen, veelgeliefden, zijn in zulke omstandigheden misschien ten einde raad. Die kunnen zich in zulke omstandigheden alleen nog maar voor de trein gooien samen met de kinderen eventueel. Maar … zo niet “de verloren zoon”. Nee, gelukkig is die zoon niet definitief verloren. Want in hém, in die zogenaamd maar niet écht verloren zoon; in hem komt de gedachte op: “Laat ik naar mijn vader gaan”. En die gedachte, veelgeliefden, die maakt het verschil tussen definitief verloren gaan en te grond gaan en in de afgrond storten enerzijds en redding en nieuw leven, een nieuw begin anderzijds. “Deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen” zal de vader zeggen. En waarom? Ach lieve mensen: enkel alleen omdat die arme jongen met hangende pootjes is teruggekomen … Maar hij is teruggekomen! Hij heeft gedacht aan zijn vader. En dan niet als zijn vader als boeman. Maar hij heeft gedacht: Mijn vader is barmhartig. Hij is goed. Hij is liefderijk. Mijn vader zal zijn hand over zijn hart strijken. Of nee, dat denkt hij niet eens die verloren zoon, dát durft hij nog niet te denken … Maar hij denkt: Mijn vader zal mij toch níet wegsturen … Dát zal hij toch niet doen … Hij zal mij toch wèl een plaatsje geven bij de knechten in de stal …
Veelgeliefden, misschien denkt U wel: Ja, maar mijn vader ís zo niet. Of hij wás zo niet. Niet zo uitbundig, niet zo royaal, niet zo vergevingsgezind, niet zo feestelijk. Veelgeliefden, ik zeg U: U vergist Uzelf als U dat denkt. Want zo wás en zo ís Uw vader wèl. En zo zal Hij altijd zijn. Want de vader over wie Jezus in zijn parabel spreekt, dat is niet over Zijn of onze áárdse vader. Hij spreekt over ons aller hémelse vader. Die wijst ons nooit af. Naar Hem kunnen wij altijd terugkeren. Het is zoals de 27ste psalm (vs. 10) zegt: “Al verlaten mij vader en moeder, de Heer neemt mij liefdevol aan.” Veelgeliefden, onthoud dat goed, vergeet dat nooit. Wij hebben weet van die Vader, Jezus heeft Hem aan ons laten kennen. Dus tot gezinsdrama’s hoeft het bij U, bij ons niet te komen. Wij hoeven ons niet mét of zonder kinderen voor de trein te gooien. Amen.