3e zondag in de veertigdagentijd C

C-cyclus · Vasten · 3e zondag van de Vasten · paars

Wat voor de meesten een fait divers is, is voor enkelen drama en tragiek. Een wreed optreden van Pilatus is een fait divers. Hij heeft enkele Galileeërs vermoord, hun ‘bloed met dat van hun offerdieren vermengd’. Een toren is ingestort in Jeruzalem. Achttien mensen zijn daarbij omgekomen. Ook dat is een fait divers. De lokale drama’s worden even besproken en worden dan door andere drama’s en door de genoegens en de miseries van het leven naar afgelegen delen van de geest verschoven. Daar slibben ze aan, tot ze de natuurlijke stroom van denken, van leven, werken en genieten stremmen. Ze bederven het plezier mens te zijn.

Natuurlijk komt dit probleem bij Jezus terecht. Zijn sterkte intrigeert. Zijn vreugde, die Lucas regelmatig onderstreept, is daarmee misschien toch in strijd. Zijn wijsheid weet hier misschien geen antwoord op. Zijn goedheid en medelijden met de mensen geraken in de knel. Hij spreekt ook zo zeker over God. Is die vroomheid hiermee te verzoenen? Heeft de godsdienst hierover iets te zeggen? Kan Lucas hierover aan de kerken iets zeggen, dat de mensen verder brengt?

Jezus antwoordt ook hier met een wedervraag. Ze geldt voor iedereen. Ze betreft de Galileeërs en Jeruzalem: het religieuze, orthodoxe Zuiden en het Noorden, toegeeflijk voor de heidenen. Hij graaft het slib van het weten uit, maar meer nog van het geweten, van wat de vraagstellers het meest bezwaart. Ze willen weten of die faits divers, die drama’s de schuld van de slachtoffers openbaren en vooral of ze zelf niet kwetsbaar zijn. Ze willen het van Hem horen dat zijzelf geen kwaad, geen zonde doen. ‘Ik doe geen kwaad, ik doe geen zonde’ is een halve waarheid van alle mensen. Het nieuws dat ’enkele mensen’ Jezus vertellen is een verkapte wens. Hij moet enkele ongelukkigen beschuldigen en henzelf vrijspreken.

Jezus loop hier niet in. De kerk ook niet. ‘Als gij niet tot bekering komt zult ge allen op eenzelfde wijze omkomen’. Dat is een eerste reactie. Ze is streng en dreigend. Ze wordt onmiddellijk gevolgd door een andere, een milde reactie van geduld. Het ‘genadejaar’ van de Messias loopt. De tijd waarop Jezus Gods vergiffenis aanbiedt, aan al wie zich bekeert, is niet ten einde. Israël, de ‘vijgenboom’, wordt bijzonder verzorgd, ook al laten de vruchten op zich wachten. De kerk wacht geduldig op ‘vruchten van bekering’. Zelfs haar dreigende uitspraken spreken haar geduld niet tegen. Ze willen opvoeden en tegelijk de vrijheid van de mens eerbiedigen. De beslissing ligt bij henzelf. Een kind dat zijn best doet, verhoogt zijn kansen. Een kind dat zijn kansen verkijkt, is ook werkelijk bedreigd. Ouders weten dat en zeggen dat. Uit liefde zijn ze geduldig en lastig, sporen ze aan en vermanen ze tegelijk.

Waarop slaat de bekering, waarover Jezus en de kerk spreken? Op het vertrouwen dat een kind kenmerkt. De kerk, het ‘volk Gods’, de ‘gelovige’, worden dringend uitgenodigd, niet om naast de andere mensen te leven en eigenlijk anders als zij, maar om dezelfde problemen en vreugden met vertrouwen in God, hun Vader en Vader en God van hun vaderen te beleven. Mozes, die naar Farao gestuurd wordt en die zijn volk zal moeten bevrijden, wordt tot datzelfde vertrouwen uitgenodigd. Hij geraakt niet achter het geheim van het brandende braambos. Hij staat op heilige grond. Hij verneemt alleen dat Jahwe, ‘de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob’ hem zendt en dat de Naam Jahwe betekent: ‘Hij-die-is’. Jahwe, ‘Hij-die-is’, zal hem beschermen, zal het volk beschermen, zoals Hij als een vader de patriarchen beschermd heeft. Farao’s volk is omgekomen in de Rode Zee en de Hebreeën zijn omgekomen in de woestijn. Geen van beide heeft geluisterd. Geen van beide heeft vertrouwen gehad. ‘Als gij niet tot bekering komt, zult gij allen op eenzelfde wijze omkomen’.

Zoeken in Preken Online