2e zondag van de Veertigdagentijd – jaar C

C-cyclus · Vasten · 2e zondag van de Vasten · paars

Homilie op de 1e zondag van de vasten: “Kom naar me toe met je hart en

ik zal je mijn ogen geven.” (Arabisch spreekwoord)

(Rom. 10, 8-13; Lc. 4, 1-13)

Tielt, 17 februari 2013

De bijbellezingen in de veertigdagentijd spreken ons zo dikwijls over de manier waarop wij moeten vasten. Dat mag best zichtbaar gebeuren. De mensen mogen het zien, maar het moet wel uit ons hart komen, ons innerlijk raken, uiting zijn van een werkelijke bekering.

Paulus heeft het raak verwoord in de eerste lezing van deze dag: “Het geloof van je hart brengt gerechtigheid voort.”

Op zoveel plaatsen in de Bijbel wordt het hart beschreven als de baarmoeder, de schatkamer, de startbaan van al wat leven, liefde en geluk brengt. In de dikke van Dale krijgt het woordje “hart” twee en een halve kolommen toebedeeld. Blijkbaar is het heel belangrijk ons de vraag te stellen niet zozeer wat wij doen, maar vooral wat er omgaat in ons hart. Een hart kan leeg en gesloten zijn omdat het voor niets of niemand openstaat, maar evenzeer omdat het overvol is van zichzelf of van een stapel onbenulligheden, zodat er geen ruimte meer overschiet voor anderen of voor diepere waarden.

Toen ik retoricastudent was op het college, - dat is ondertussen meer dan 60 jaar geleden! – moesten wij een Franse verhandeling maken over een zinnetje dat ik nog altijd onthouden heb, nl.: “Il faut vivre comme on pense; sinon, tôt ou tard, on finit par penser comme on a vécu” (Je moet leven zoals je denkt; anders, vroeg of laat, ga je denken zoals je leeft).

Leven zoals je denkt en niet denken zoals je leeft, daaraan worden we herinnerd in deze veertigdagentijd. Het is je de vraag stellen of je niet bezwijkt voor de bekoringen waarmee de kwade geest in het evangelie van vandaag Jezus poogde te verleiden.

Vooreerst de moordende dreiging enkel te leven voor eigen profijt en voor eigen plezier. Blijkbaar is in de mensen de drang naar genot en bezit, veelal ten koste van de anderen, zo sterk dat ze het ervoor over hebben blijvend in onmin te leven met hun familie, zelfs te stelen en iemand te vermoorden. De kranten staan er elke dag vol van. Net als in het evangelie worden we bekoord om stenen om te toveren tot brood waarmee we onze honger en zucht naar meer kunnen stillen. Afkomst, bekwaamheid en ervaring worden aangewend puur tot eigen profijt, zonder hart voor de anderen dichtbij of de vele misdeelden in zoveel straatarme landen. Nochtans, als je naar hen toe gaat met je hart, zullen ze je hun ogen geven. Dan zul je je bezit en je welvaart heel anders gaan bekijken: niet langer als een verworven recht, maar als een voorrecht en een plicht om broederlijk te delen met wie zoveel minder heeft of zelfs het levensnoodzakelijke mist.

De bekoring van het geld leidt veelal tot onrecht en pretentie. Stijn Streuvels heeft het keihard verwoord: “Geld maakt recht wat krom is, wijs wat dom is.”

Te grote gehechtheid aan eigen bezit leidt tot verderf en spirituele armoede. Godfried Bomans heeft het raak verwoord: “Wij zijn arm geworden door onze weelde.” Als je hart kan kloppen in de anderen, zul je die anderen heel anders zien: je levenspartner, je ouders of kinderen, je familieleden, collega’s, buren en vrienden… Ze zullen je uitnodigen om naar hen te kijken vanuit hun ogen en met Gods minzaam hart.

In de vasten moeten we ons ook de vraag durven stellen: “Waartoe gebruik ik mijn invloed, mijn gezag?” Bezwijk ik niet voor de bekoring waarmee de kwade geest in het evangelie Jezus wou verleiden, nl. door Hem mee te voeren naar een hoge berg, van waarop zijn gezag tot macht kon ontaarden om anderen te overheersen, te onderdrukken, te misbruiken; om altijd de eerste plaats in te nemen en het laatste woord te hebben. Reeds de Romeinen zeiden het: “Potestas corrumpit” (De macht bederft de mens). Het is nog altijd zo. Kijk maar naar sommige machthebbers in bedrijven, in de vakbonden, in de politiek, zelfs in sommige gezinnen en soms zelfs in de Kerk.

In de vastentijd worden we eveneens gewaarschuwd om niet te bezwijken voor de bekoring van de hoogmoed, waarmee de boze geest Jezus in de woestijn wou verleiden. De Grieken noemden die zelfgenoegzaamheid de “hybris”, het tarten van de goden, het zichzelf verheffen tot God, tot heer en meester van alles. Alle Griekse tragedies spreken van die trots, die steeds leidt tot de ondergang van de held van het stuk.

Het is nog altijd zo: de hoogmoed leidt de mens naar zijn verderf.

Daarom moet je in deze tijd af en toe naar jezelf kijken met Gods ogen. Dan zul je vaststellen dat je binnenste nogal rommelig is en dat je veel moet opruimen en de rest netjes ordenen. Van bisschop Helder Camara is een gezegde bekend: “Als de bomen de mensen zien lopen, hebben ze medelijden; ze denken dat we meewaaien met de wind omdat we niet vast geworteld staan.” Zou het niet goed zijn in deze vasten wat tijd te maken voor gebed en bezinning? Zo komen we los uit onze oppervlakkigheid die ons veelal doet zwalpen op de woelige zee van het leven. Zo vinden we weer het kompas dat ons de juiste richting wijst om echt gelukkig te worden.

Vasten, een tijd om weer te leven zoals je denkt en niet te denken zoals je leeft.

Dat was de titel van een Franse verhandeling in de retorica. Wat ik toen daarover schreef, weet ik echt niet meer. Wat ik na 60 jaar wel beter weet, is dat het waar is.

G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt


Homilie op de 2e zondag in de Veertigdagentijd C: “Christen zijn is durven kiezen” (Lc. 9, 28b-36)

Tielt, 24 februari 2013

In het evangelie kwam het verhaal van de gedaanteverandering, dat we zopas beluisterd hebben, voor Jezus’ leerlingen op het juiste moment. Het zag ernaar uit dat ze eigenlijk nog weinig trek hadden om hun Meester te volgen. Hij sprak te veel over lijden en dood. Wie volgt nu graag iemand die daarover zaagt? Herhaaldelijk hadden ze gepoogd Jezus af te brengen van zijn pessimistische vooruitzichten. Tevergeefs! Kortom, het boterde niet meer tussen zijn leerlingen en hun chef. De mannen liepen rond met lood in de schoenen. Ze vroegen zich af of het nog zin had met die Jezus op te trekken in een soort vagebondenleven, waarbij ze voortdurend de straat op moesten als rare vogels. Er heerste een vertrouwenscrisis tussen de mannen en hun baas. Ze verstonden Hem niet meer. Ze zaten in de put. Ze hadden nood aan bevestiging. En ze zaten met grote vragen. Voor wie of wat kiezen?

Dat is ook onze ervaring. Vroeg of laat zitten we met de vraag: Heb ik de juiste keuze gemaakt?

In kleine dingen. Dat paar ongemakkelijke schoenen, die je gekocht hebt, nadat je, onder druk en het kritische oog van je vrouw, er 10 paar gepast had. Je nieuwe kapsel dat tegenvalt. De vloer in je nieuwe keuken, die zo moeilijk te poetsen is…

Maar ook een fundamentele keuze kent soms een crisis. Misschien zit je met vragen over je beroep, waarvan je nochtans zoveel verwacht had. Misschien ken je een crisis in je relatie en vraag je je af: “Heb ik wel de geschikte partner gekozen?” Ook elke priester of religieuze , elkeen die zich moedig en edelmoedig inzet voor de Kerk, voor de armen in de derde wereld, voor de minder bedeelden en sukkelaars in ons midden, kent vroeg of laat een crisis. Wee de mens zonder crisis, de mens zonder vragen, de mens die nooit in de put zit! Meestal zijn dat oppervlakkige mensen. Want elke crisis is een uitdaging en kan omgebogen worden tot een vernieuwd engagement. Crisis komt van het Griekse woord “krinein”, wat oordelen betekent. Daarom is een crisis geen drama. De kunst is eruit te raken. Doen wat Jezus’ leerlingen meemaakten in het evangelieverhaal: uit het diepe dal kruipen en een bergmoment ervaren, waarop je weer licht laat vallen op je levensweg, je taak en je relaties; waarbij alles weer kleur en klank krijgt, waardoor je weer bewust en geestdriftig een keuze maakt.

De Veertigdagentijd is de gunstige tijd voor een nazicht van onze keuze.

Kiezen vergt bezinning, “krinein”, rustig oordelen. Jezus trok ervoor naar de woestijn. Dat hoorden we vorige zondag. Of met zijn leerlingen naar een hoge berg. Dat lazen we vandaag in het evangelie. Woestijnen en hoge bergen hebben dit met elkaar gemeen dat er niets is om je achter te verschuilen, geen wegwijzer of boom om je te oriënteren, geen drukte waarin je je kunt verliezen. Dan word je geconfronteerd met wat je (maar) bent. Daar word je met je neus gedrukt op wat essentieel is in het leven en wat slechts bijkomstig is.

In de vasten moet je ervaren wat je in een woestijn of op een hoge berg meemaakt of wat de zuidpoolreizigers Dixie Dansecoer en Alain Hubert over hun expeditie vertelden. Vasten is leren afstand nemen van wat je zo vanzelfsprekend consumeert aan spijs, drank en genotsmiddelen allerlei; afstand nemen ook van wat je zo vanzelfsprekend bezit en van je manier van leven. Het is je edelmoedig opengeeuwen uit je zelfgenoegzaamheid en, net als Jezus’ leerlingen in het evangelieverhaal van vandaag, biddend zicht krijgen op Jezus’ stralend gelaat. Het is je keuze nazien in een bezinning op de berg en dan weer in de bewoonde wereld komen: de berg afdalen en in de vlakte van het gewone leven Jezus’ boodschap beleven.

Die keuze zet je wel apart. Door duidelijk te kiezen om het evangelie gestalte te geven in je dagelijkse leven schep je een afstand met vele mensen in je omgeving. Gelovigen zijn altijd rare vogels. Dat is niet nieuw. Je bent, als je consequent als christen leeft, de zanger van een protestsong, die bestendig tegen de tijdsgeest reageert. Het vergt de moed om je zot en vogelvrij te laten verklaren vanuit alle hoeken, zoals vroeger de nar aan het koninklijk hof tegelijk vriend en vijand was van iedereen, vaak de eenzame te midden alle feestgewoel om zich heen.

Kiezen gaat nooit zonder offer. Het offer zich iets te ontzeggen is niet onze sterkste kant. Daarom hebben zoveel mensen last met kiezen en nog meer last om bij hun keuze te blijven: zowel in hun relatie, in de opvoeding van hun kinderen, in de beleving van hun geloof.

Kiezen is uit je crisis raken. Daarvoor moet je kunnen rekenen op mensen in je nabijheid die je steunen, bevestigen en bemoedigen. Je moet vooral rekenen op de grote crisismanager, de Heer Jezus zelf. Maar daarvoor moet je Hem plaats en tijd geven in je leven.

Dan gaat het licht van Jezus’ gelaat op de berg Tabor ook jouw gelaat doen stralen voor de vele mensen in onze maatschappij die er soms zo triestig en somber uitzien.

Het zou mooi zijn!

G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online