Ge moet niet bang zijn, hij doet u niets!

C-cyclus · Vasten · 2e zondag van de Vasten · paars

2e zondag van de vasten Cyclus C 2013 Luc 9,28b-36

Ge moet niet bang zijn, hij doet u niets!

Beste vrienden,

“Ge moet niet bang zijn, hij doet u niets!” – Die zin krijg ik van de eigenaars van honden het meest te horen. En vooral dan, wanneer hun vierpoter luid blaffend en met duidelijk zichtbare tanden, al zo dicht bij mij genaderd is dat het zweet me al uitbreekt en ik zijn hete adem al bijna kan voelen. “Ge moet niet bang zijn, hij doet niets!”

Moet ik dat geloven? Alleen maar omdat de baasjes ervan overtuigd zijn? Alleen maar omdat ik de eerste zou zijn waar hij dan wel iets aan zou doen? Wil ik dan echt wel de proef op de som nemen?

Neen, daar voel ik toch echt niets voor. En ik heb het moeilijk om te kunnen geloven dat een dergelijke hond het niet minstens op mijn broekspijpen zou hebben gemunt. Ik kan er niet op vertrouwen dat hij vriendelijk tegen mij zou zijn, laat staan dat hij het goed met mij zou menen.

Is dat de reden waarom ik bang van hem ben? Bang van honden? Bang, omdat ik er geen vertrouwen in heb dat ze het echt goed met me zouden kunnen menen? Ik kan gewoon niet geloven dat ze me niets kwaads willen.

En dat is vermoedelijk juist ook de reden dat ik er bang voor ben. Dat is waarschijnlijk ook altijd het punt waar bij ons, mensen, de angst voor de andere begint. Als ik bang ben , dan denk ik heel diep in mijn binnenste: dat is iets of iemand die kwaad met mij in de zin heeft.

Wanneer ik er niet zeker van ben dat iemand het goed met me meent, dan ga ik hem beter uit de weg, want anders bekruipt me nogal gemakkelijk het gevoel dat hij me op één of andere manier kwaad wil, en dan word ik bang van hem.

Als kinderen bang zijn van hun ouders, dan is dat zeker niet omdat ze zich goed begrepen voelen. Meestal gaat het erom dat ze vrezen om in de ogen van hun ouders niet te voldoen, afgewezen of ergens naartoe gedrongen te worden waar ze niet naartoe willen.

Wanneer je baas je bij zich roept, dan beginnen de knieën doorgaans reeds te beven en dat is dan meestal niet omdat je ervan overtuigd bent dat hij je dolgraag ziet en dat hij buiten jouw welzijn niets anders in de zin heeft. We zijn bang van dergelijke situaties – en dat meestal op die momenten waar we er niet op kunnen vertrouwen dat anderen het goed met ons voorhebben of het beste voor ons willen.

Maar is dat ook zo wanneer mensen bang zijn van God?

Het valt toch wel op: Op zo veel plaatsen in de Bijbel beginnen de mensen te bibberen en te beven van angst als ze God ontmoeten. En dat gebeurt niet alleen maar bij een willekeurig iemand, neen, dat gebeurt ook bij de leerlingen van Jezus, bij diegenen die met Hem samenleefden. Hij neemt hen mee op de berg van de verheerlijking, laat hen zijn heerlijkheid aanschouwen, want God zelf is daar, in een wolk verhuld, aanwezig. En wanneer ze dan in die wolk geraken en er door omhuld worden, dan worden ze bang en beven van angst.

Het evangelie geeft dat als enige reactie van de leerlingen weer. Geen begeestering, geen vreugde, geen feestelijke stemming, maar alleen dat ene: ze werden bang!

Door alle Bijbelse boeken heen werden de mensen bang als God in hun leven kwam. En God ondervindt, als Hij met een mens te doen heeft, ook altijd weer: de mensen zijn altijd weer bang van Hem.

Wat, als Hij mij op het einde toch veroordeelt? Wat als Hij mij toch laat vallen? Wat als ik, als mijn leven, voor Hem niet voldoet? Wat, als Hij al mijn fouten toch wreed bestraft?

Tot vandaag toe werden alle generaties van mensen door zulke gedachten achtervolgd en geplaagd. Ik ben er zeker van dat God daar erg onder lijdt. En soms heb ik het gevoel dat heel de Bijbel en de ganse liefdevolle bemoeienis van God met ons mensen, alleen maar draait om één enkel onderwerp: Wees niet bang!!

“Geloof me dan toch, ik meen het goed met jullie, ik ben diegene die zich vanaf het begin aan jullie heeft geopenbaard – Jahweh – Ik, die er voor jullie ben – waar en wanneer ook – die niets van jullie eist, maar alle goeds voor jullie wil. Weest toch niet bang!!“

In die liefdevolle aandacht waarmee God ons voor zich tracht te winnen gaat Hij zelfs zo ver dat Hij in de gedaante van Jezus Christus onder ons komt wonen en zich helemaal aan ons mensen overlevert.

En wij, wij hebben er toch nog altijd zo veel moeite mee om dat allemaal echt te geloven. Hoeveel zelfoverwinning kost het mij niet om werkelijk te aanvaarden wat de Bijbel ons als Gods wezen voorhoudt, werkelijk te aanvaarden dat ik niet bang hoef te zijn! Net alsof hij wil zeggen:“ „Ge moet niet bang zijn, hij doet je niets”. En daar sta ik dan en geloof er niets van.

Ik weet het, dat angstgevoel moet ik overwinnen. Het is niet gemakkelijk om op zo’n uitspraak te vertrouwen. En met onze vierpotige vrienden, de honden, in gedachte, weet ik waarvan ik spreek.

Maar met de jaren heb ik geleerd dat mijn angst voor honden behoorlijk overdreven is. Eén enkele keer in mijn leven werd ik bijna door een hond gebeten. En toen had ik me eerlijk gezegd ook behoorlijk dom tegenover dat dier gedragen. Als ge van dat gegeven uitgaat om bang te zijn voor alle honden, dan is dat toch wel sterk overdreven.

Ik heb leren begrijpen dat honden echt niet geboren worden met als enige doel in hun leven om mijn broekspijpen te scheuren. En als ik dan nu terugkijk op mijn reacties van vroeger, dan kan ik er eigenlijk alleen nog maar om glimlachen.

Maar als ons dat bij honden al overkomt, hoeveel belangrijker is het dan niet om komaf te maken met die verkeerde voorstelling die we van God hebben. Als ik in het leven van alledag telkens weer moet vaststellen dat vele van mijn angsten werkelijk ongegrond zijn, dan kan ik toch ook op het Evangelie vertrouwen dat me zegt dat er helemaal geen reden is om bang te zijn van God.

Ik hoop dat die goede boodschap ook voor ons aanstekelijk werkt. We mogen het echt geloven: “Hij doet ons niets! Ge moet niet bang zijn! God meent het goed – en niet alleen met de anderen. Hij meent het goed met ons: met mij en zonder twijfel ook met jou. Amen.

Zoeken in Preken Online