Pinksteren C

C-cyclus · Paastijd · Pinksteren · rood

In de stad wordt dagelijks het brood gegeten, maar er wordt zelden aan de boer gedacht. Vandaag is daar nochtans dubbel reden toe. Het Pinksterfeest begint bij de boer. Israël vierde vijftig dagen na Pasen het binnenhalen van de tarwe. Ze aten en dronken, dansten en tamboerijnden en vierden de Schepper van alle goed die het land had gezegend. De arme had zijn deel. Hij vierde mee, gezeten aan feestelijke tafels.

Het bleef daar niet bij. In de Wet van Mozes had de arme een ereplaats. Op geen feest mocht hij ontbreken. Israël was zelf arm geweest, was slaaf geweest in Egypte en was door Jahwe bevrijd, was door Hem naar het beloofde land geleid, had van Hem de Wet van Mozes ontvangen, die er blijvend aan herinnerde hoe het volk uit zijn nood verlost was en hoe het op zijn beurt verplicht was de arme in hun midden uit zijn nood te verlossen.

Ook daar bleef het niet bij. Israël vierde niet alleen een verplichting. Het vierde in de Wet een garantie. Wie de arme hielp zou blijvend door Jahwe geholpen worden. De Wet vieren was Gods liefde vieren. Pinksteren vieren was Gods logica vieren. Ik heb u verlost, gij moet uw broeder verlossen.

Als de christen Pinksteren viert blijft het zelfs daar niet bij. Hij zet de traditie van de Hebreeuwen voort en dankt voor het dagelijks brood. Hij viert met de Joden, zijn oudere broers, de overhandiging van de Wet. De arme zit mee aan zijn tafel: zoals bij elk feest heeft hij zijn gave mee, die met de gave van alle anderen honderdvoudig over de wereld verspreid wordt. In zijn hart vernieuwt hij het voornemen de Wet te onderhouden en zo Gods zegen te blijven genieten. Maar het Brood is nieuw: “Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald”. De Wet is nieuw: “Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad”. De Arme is nieuw: “Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan”. De belofte en de garantie van de Wet zijn nieuw: “Als iemand Mij liefheeft zal Hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen”. Met Pinksteren is alles nieuw. Naar de oude Psalm wordt nieuw gebeden: “Zend uw Geest die alles en allen herschept en Gij zult het uitzicht der aarde vernieuwen”.

Het oude wordt vandaag niet afgeschaft. Jezus ruimt de boeken van zijn volk niet op. Hij maakt de Wet van Mozes niet ongedaan. Hij zet de beloften van de profeten en de wijsheid van zijn vaderen niet op een censuurlijst. Hij leert ze nieuw lezen. Hij leeft de Wet nieuw voor. Hij onderhoudt vooral met een nieuw hart het Verbond dat God met zijn volk sloot. Het is het oude Verbond zelf dat Hij vernieuwt: “Deze beker is het Nieuwe Verbond in mijn Bloed, dat voor u wordt vergoten”. Hij bezegelt het Oude Verbond met zijn bloed en juist daardoor maakt Hij het nieuw.

Met Pinksteren viert de christen de Christus, die het oude gebod ernstig heeft genomen: die God bemind heeft, met heel zijn hart, met heel zijn ziel, met heel zijn verstand, met al zijn krachten, die zijn naaste bemind heeft als Zichzelf, die nieuw naar de oude Psalm gebeden heeft: “Zend uw Geest die alles en allen vernieuwt”!

Met Pinksteren viert de christen de komst van deze Heilige Geest, de Helper die hem het Nieuwe Verbond leert kennen, begrijpen en onderhouden, die voor hem het brood nieuw maakt, de Wet, de belofte en ook de arme die hij is, die hem tot kind en zoon en erfgenaam verheft, van God tot wie hij “Vader, Abba”, zegt, in Jezus, die hem tot de anderen leerde zeggen: “Gij zijt mijn broeder en mijn zuster”.

Zoeken in Preken Online