De zondagen na Pasen zijn gericht op het komende pinksterfeest. We lezen hoe Jezus belooft dat de Geest zal komen: ‘Hij zal jullie alles laten begrijpen wat Ik jullie gezegd heb.’ Zijn komst is een gratuit geschenk van God aan ons. Toch verbindt Jezus voorwaarden aan de komst van de Geest. Zo zegt Hij zeer uitdrukkelijk dat de Helper alleen kan komen als wij ons aan zijn (Jezus’) woorden houden. De leerlingen begrijpen meteen dat Jezus daarmee de geboden bedoelt, de welbekende decaloog uit de wet van Mozes. Daaraan heeft Jezus herhaaldelijk herinnerd. Meer zelfs, op beslissende punten heeft Hij de geboden nog strenger gemaakt. Niet alleen het uiterlijke gedrag, maar ook de gezindheid van het hart moet bekeerd worden.
Nu zijn die geboden bij nader toezien haast allemaal verboden: gij zult geen andere goden hebben, gij zult de naam van God niet ijdel gebruiken, gij zult niet doden, niet stelen enzovoort. Wie die woorden nier onderhoudt, zal tevergeefs wachten op de komst van de Helper. Daarover laat Jezus geen twijfel bestaan. Waarom stelt de Heer die voorwaarden? Ze lijken op het eerste gezicht weinig met de Geest te maken te hebben. Is Hij immers niet de grote liefdegave? Waarom moet er dan zo nodig aan die strenge verbodsbepalingen herinnerd worden?
Het antwoord is te zoeken in Gods manier van omgaan met ons. Wat voor Hem pure gave is, werkt in ons niet automatisch. Voor alles wat God met ons wil doen, vraagt Hij onze instemming en medewerking. Hij werkt niet over onze hoofden heen en behandelt ons niet als pionnen op een schaakbord. Wij zijn immers vrije wezens. Op die vrijheid doet God altijd een beroep. Als wij dus echt willen dat de Geest komt, dan wordt er van onze kant medewerking verwacht. Opdat de Geest van liefde een kans zou krijgen, wordt van ons verwacht dat wij ‘neen’ zeggen aan het kwaad. Daarom zijn de geboden bijna allemaal negatief geformuleerd: ze wijzen ons op het kwaad dat in de wereld en ook in onszelf leeft. Ze sporen in die zin aan tot nuchterheid. God kan zijn werk alleen doen als mensen altijd weer ‘neen’ zeggen aan wat daartegen ingaat. Hij kan het goede in ons pas teweegbrengen als wij ons verzetten tegen het kwaad. Wij smoren het werk van de Geest al in de kiem als we, om maar wat te noemen, geen rem zet-ten op leugen en laster. Wie kwaad met kwaad vergeldt, biedt geen enkele kans aan de Geest, die vergeving schenkt. Wie zich aan valse goden hecht, laat geen ruimte voor de werking van de echte God.
Dat betekent helemaal niet dat wij het allemaal zelf moeten doen. De beloofde Helper kan in mensen veel meer tot stand brengen dan zij op eigen kracht zouden kunnen. Maar dan moeten ze Hem ook de kans geven. Hoe ze dat kunnen doen, ligt uitgedrukt in die geboden. De medewerking is in feite een ‘niet-tegenwerken’. Geen stokken in de wielen steken, zoals dat in een volkse uitdrukking heet.