Daar zijn geen woorden voor

C-cyclus · Paastijd · Pinksteren · rood

Een gesprek met een ongelovige is altijd een moeilijk gesprek. Indien wij goed kunnen spreken, verstaat hij in het beste geval goed onze woorden. Maar… hij komt er niet toe te zien waar onze woorden op slaan. De bodem van onze woorden ontgaat hem. Hij zal zelfs zeggen dat wij ons altijd verbergen achter het mysterie onder onze woorden. Daarop haakt hij meestal af. Christenen bewijzen niets: je moet hun altijd krediet geven, je moet altijd toegeven dat hun geheim ontoegankelijk is. Voor ongelovigen zijn we daarom onmogelijke gesprekspartners. We hebben altijd gelijk door wat we niet zeggen.

In alle eerlijkheid gesproken: ook onder gelovigen is het geloofsgesprek om dezelfde reden moeilijk. Ook onder elkaar schieten onze woorden tekort. Het mysterie van het geloof ligt ook voor ons altijd voorbij onze woorden. Tot aan die grens is het probleem voor gelovigen en ongelovigen precies hetzelfde. Voor de ongelovige is de ruimte achter onze taal leeg. Voor de gelovige is die ruimte met aanwezigheid gevuld. Daar begint voor hem de zone van zijn waarheid. Daar zwijgt hij omdat de eeuwige Aanwezige daar spreekt met onuitsprekelijke woorden. Zoiets voelen wij het diepst aan als wij in de pinkstertijd spreken over de Geest. Wat zeggen we dan? Wat bidden we dan? Wat geloven we dan? Wat zingen we dan?

Met Pinksteren is bidden ons belangrijkste werkwoord. Dat is de grote bidtijd van de christenen. Dan wil de ongelovige in ons gelovig worden. Dan wil de mens die leegte ervaart vervulling proeven. Dat doet hij in deze dagen het liefst op zijn knieën en met de ogen dicht. Dan ervaart hij dat geloven nooit een bezit is of een bewijs, nooit een recht of een voorrecht. Geloven is het hart openen voor een gave die beloofd is… als de ziele luistert. Deze eerbiedige passiviteit is evenwel allesbehalve evident. De bekoring is zo groot om bezig te zijn met dingen die evident zijn voor onze ogen en die wij efficiënt kunnen behandelen met onze handen. Zeg maar niet te gauw dat wij deze bekoring hebben overmeesterd. We zijn zo graag ongelovig bezig met de hanteerbare waarden die liggen… vóór de leegte. De zone die ligt tussen het geloof en het ongeloof is een zeer smalle strook. Het is een dunne draad.

Daarom is Pinksteren ons gegeven: we worden opgeroepen om de dunne draad niet door te knippen en om de smalle strook niet over te slaan. Om iets binnen te laten wat niet van ons is. Om iets te beamen wat we zelf niet kunnen maken, wat we aan onszelf niet kunnen geven. In deze tijd willen we bekennen dat onze afhankelijkheid mag open bloeien tot aanhankelijkheid. Door deze demarche worden mensen geopend op vreugde en op vertroosting, op genezing en op warmte van hart. Terwijl ik dit zo schrijf, besef ik heel scherp dat ik niet in discussie moet treden met een ongelovige vreemdeling. Ik mag leren de ongelovige in mezelf te openen op wat ik niet zie en wat ik niet weet. Alleen, ik moet leren te aanvaarden dat er een Geest is die waait. Ik mag leren te aanvaarden dat er tocht komt in mijn huis als ik de ramen en deuren openstel. Het kan me hopelijk leren op tocht te gaan en een andere mens te worden. Een heel klein beetje beter. Een heel klein beetje beter bewoond door een goede geest.

Kom, heilige Geest.

Zoeken in Preken Online