Dag iedereen,
er komen vandaag een paar vragen vanwege mensen die nog op zoek zijn naar wat inspiratie voor de Paaspreek van straks, op Pasen 17 april 2022. Inderhaast ben ik nog even in de archieven gedoken, en heb er wat materiaal uit opgevist dat misschien sommige voorgangers / predikanten / Power-point-makers… van dienst kan zijn. Let wel: er zitten zonder twijfel wat dubbels en overlappingen tussen dit materiaal, En bij deKkattebelletjes (waarmee ik tijdens de lockdown en de Covid-pandemie elke dag vanuit de Kattenstraat waar ik woon een aantal mensen wat hoop probeerde in te spreken) zijn er op het einde soms wat cartoons en andere grappen of grollen toegevoegd die op zich niet zoveel met Pasen te maken hebben (alhoewel: er bestond in de Middeleeuwen ook zoiets als de ‘risus paschalis’ - de ‘Paaslach’… Maar dat is een ander verhaal.)
Met graagte gedeeld, speciaal voor de paar mensen die uitdrukkelijk vragende partij waren - en meteen ook voor iedereen die er misschien iets kan mee doen.
Met hartelijke groet - in verbondenheid!
geert
PASEN: Er is een licht dat mensen sinds eeuwen doet geloven
in het ongelooflijke…

“Hoop is altijd een beweging naar voren: vanuit een deprimerende, verstikkende realiteit werp je een anker uit naar een imaginaire toekomst en wanneer het zich daar heeft vastgeklemd, trek je jezelf, als individu of als samenleving, naar dat anker toe.
Nog belangrijker dan die daad op zich is het besef dat jij je een toekomst kunt voorstellen. Dat er in jou nog een enclave bestaat, vrij en onaangetast door de situatie.” (David Grossman)
Grenzeloos
Zomer. Loopkoers op de parochie.
Ik liep nooit mee, keek alleen maar toe van achter de rood-witte dranghekken.
Ik keek naar de eindstreep waar vrijwilligers van het Rode Kruis de lopertjes opvingen.
Die stortten zich uitgeput in de armen van rijtje mannen en vrouwen met hun opgerolde hemden van lichtblauw katoen. Waarop hún armen werden omhooggehouden; er moest lucht naar de longen. Het ging automatisch en bijna mechanisch: kind kwam aangehold, werd opgevangen, van adem voorzien en dan met een klopje op de schouder wandelen gestuurd.
Bij één was het anders. Er was één dikke, zeg maar moddervette, vrouw bij. Ze schommelde als ze bewoog. Ze had rode vlekken in haar gezicht en zweetvlekken onder haar oksels. Toch wierpen alle kinderen zich, als het enigszins kon, zonder enige aarzeling in háár armen. Een veilig bastion was ze, voeten breeduit op het asfalt, lichaam voorovergebogen en armen wijdopen. “Kom maar, hier is het goed’, dreunde dat lijf. De kinderen gingen de witte lijn over met hun neus tussen haar borsten. Ze liepen te pletter tegen haar buik, een verend springkasteel. En ook al bleven ze niet langer hangen in haar armen dan bij de rest, toch was het anders. Intiemer. Het leek of het telkens haar eigen kind was dat ze opving en hun eigen moeder – of hun gedroomde – waar ze die luttele seconden thuiskwamen.
Het was intrigerend; telkens weer, elk jaar. Ik kwam niet om te zien wie er won – mijn vriendjes waren toch bij de laatsten. Kwam voor haar. Nee, niet eens voor haar, maar voor dat wat er telkens gebeurde in die ruimte tussen haar en het vallende kind. Voor die ruimte die geen ruimte meer was, waar alle grenzen vervaagden en de adem even stokte. Ik ken nu het woord waarvoor ik kwam. Ik kwam voor de overgave.
Toen ik in het ziekenhuis af en toe de kapel indook om daar in de stilte op adem te komen, sloot ik meestal mijn ogen en zuchtte ik mijn vermoeidheid uit. Alle verhalen, alle losse eindjes, alle onmacht, alle mensen waar ik naast had gestaan, wilde ik niet de leegte insturen, maar naar Iemand toe.
In het donker achter mijn ogen ‘viel’ ik telkens. Met elke zucht, viel ik altijd en altijd opnieuw in zachte armen. Ik wist niet waar ze vandaan kwamen, maar ze waren er. Ik droeg iets over aan de armen van de Ander en werd zelf opgevangen. Ademloos. Even maar. Tot ik weer adem kreeg, mijn ogen opendeed, diep adem haalde, even knikte naar het kruisbeeld vooraan en de deur uitliep.
Al is God in mijn rationele geloofsontwikkeling eerder ‘het Goddelijke’ geworden ‘het Leven zelf’, mijn diepste kern heeft blijkbaar meer dan woorden nodig, beelden dus. Dikke, warme, zachte armen in mijn geval. De psychologie kan er van alles over zeggen – hunker naar de moederschoot? – en ik geloof het allemaal. Psychologie en theologie kunnen netjes naast elkaar bestaan, me dunkt.
Het is nu pas, vijfentwintig jaar na de loopkoers en enkele maanden na mijn leven als ziekenhuispastor, dat ik eindelijk door heb waar de armen vandaan komen. Ik zie slordig opgerolde hemdsmouwen in lichtblauw katoen. Een lichaam als een brede havengeul. Amen die wijdopen gaan. Ik kijk niet meer toe vanachter de dranghekken. Ik loop zelf.
(Ann Verscuren in TGL, jg. 63 nr. 2 – maart/april 2007)
Er is een licht dat mensen
sinds eeuwen doet geloven
in het ongelooflijke.
En soms word je
iets van die gloed gewaar
in ongerepte dingen.
En in ieder grootmoedig gebaar.
Kris Gelaude
uit ‘Voor wie woorden zoekt’







RUSTIG EN ‘OPSTANDIG” VOORTDOEN NA PASEN – ‘EN TOCH…’
Totdat het licht wordt
hou ik de wacht bij jou.
Broodkruimels hoop wil ik voor je sparen,
een bekertje vertrouwen schenk ik jou.
Totdat het licht wordt
kleur ik verder aan het morgenrood,
plak pleisters op je hart,
zoek goud tussen het puin.
Wees stil en luister wat een oud verhaal ons zegt.
De tijd duurt eindeloos – en toch:
de steen van voor het graf rolt langzaam weg
de dood verliest zijn macht.
De liefde wint het van de nacht…
Zalig Paasfeest.
Attentie meegegeven aan de bezoekers vanwege ‘Thuisfront.be’ – tentactie Pasen 2011

Toeleven naar Pasen is een oefening om vertrouwvol te leren
uitkijken naar de toekomst – Je neemt niet méér,
maar wel anders waar. Je blik verruimt.
Ik denk bijvoorbeeld aan een gedetineerde
die ik onlangs op cel bezocht in de gevangenis van Sint-Gillis.
Het zicht op de buitenwereld is daar heel beperkt,
maar toch wees hij me op het raam.
Elke ochtend legde hij daar wat broodkruimels
en kwam dezelfde vogel langs.
Het was een ritueel geworden, waar hij enorm kon van genieten…
(Leo De Weerdt – aalmoezenier in de gevangenis Sint-Gillis)
Een brief aan ‘En Toch’
Ter gelegenheid van een bezinningsdag schreef ik een brief aan ‘En Toch’.
In die brief verwoord ik op mijn wijze
wat ik diep in mij aanvoel als ‘Gods stem in mijn leven’.
Sinds ik kind ben heb ik Jou, ‘En Toch’, lief gekregen.
Toen zag ik mijn vader en moeder
tegen de bierkaai van een soms moeizaam bestaan
vechten om het hoofd boven water te houden.
En zij hielden ondanks vele dingen het hoofd boven water.
Ze zeiden niet ‘en toch’, ze spraken Je niet aan met deze naam,
maar ze deden hem wel.
Zo ben jij langzaam mijn leven binnengekomen.
Vaak was Je sluimerend aanwezig.
Toen het allemaal goed ging en het leven van een leien dakje liep,
toen ik nog niet de wereld kende met zijn pijn en zorgen,
toen de gruwelijkheden waartoe mensen in staat zijn,
zich nog niet aan mijn ogen hadden opgedrongen,
toen sliep jij de slaap der onschuldigen.
Maar nu ik geleerd heb met open ogen en oren te leven,
gaat er nauwelijks een dag voorbij
of jouw naam komt onweerstaanbaar bovendrijven.
Telkens ik hoor spreken over het misdadig gedrag van heersers
of over de houding van kerkelijke gezagsdragers
die meeheulen met corrupte regimes
om hun voorrechten niet te laten verloren gaan,
kom Jij, mijn lieve ‘En Toch’, naar boven.
Dan heb ik Jou zo nodig om niet ten onder te gaan
in machteloosheid, verdriet en bittere ontgoocheling.
Sinds ik kind ben heb ik Jou, ‘En Toch’, hartstochtelijk lief gekregen.
Jij houdt mij overeind, Jij bent mijn baken in de storm,
mijn toeverlaat en trouwe metgezel. Jij bent mijn vreugde.
Maar wie ben ik voor Jou, ‘En Toch’?
Geef ik jou evenveel als Jij mij?
Soms misschien heel even.
Wanneer ik een toegankelijk huis ben voor mijn vrouw en kinderen,
voor mijn leerlingen, die ik heel graag zie
en voor wie ik hoop dat ook zij Jou ontdekken,
voor allen die mijn wegen kruisen,
dat zij Jou leren bezingen als de verborgen grond van alles wat leeft.
Dat ze van Jou, ‘En Toch’, leren dat geen situatie zo uitzichtloos is,
geen verdriet of pijn zo groot,
dat er geen weg meer zou zijn naar de dag van morgen.
Maar soms laat ik Jou niet doordringen in mijn leven,
in mijn omgaan met anderen.
Soms ben ik hopeloos op zoek naar Jou, ‘En Toch’.
Dan kan ik alle gezwets over jou niet meer horen.
Dan wordt jouw fluisteren overschreeuwd
door een slogan als: het is allemaal boter aan de galg.
En dan, heel onverwacht, kom ik jou tegen
in de open gezichten van onze kinderen Stijn, Pieter en Anneleen,
die Jou zo nodig zullen hebben.
Ik loop Jou tegen het lijf in mensen die ondanks alles rechtop blijven
en niet als geslagen honden door het leven gaan.
Gekwetst, maar niet gebroken.
Vernederd, maar niet geschonden in het diepste van hun ziel.
En dit omdat ze Jou, ‘En Toch’,
hebben leren kennen in de loop van hun leven.
Laat ik mijn brief afronden:
sinds ik kind ben heb ik Jou lief gekregen.
Maar nu, ‘En toch’, kom ik tot de ontdekking
dat Jij mij – meer dan ik Jou – in het hart bewaart.
Want wie zou ik zijn zonder Jou?
En soms vraag ik mij af
wie Jij zou zijn zonder mij, zonder ons.
Paul De Witte

En toch – Boudewijn de Groot
Uit de musical ‘Tsjechov’ - Dimitri Frenkel Frank - Robert Long
Tsjechov: Mijn stukken worden nog steeds gespeeld. ’t Verbaast me, dat had ik niet gedacht. Iemand heeft eens gezegd: niemand hield zoveel van zijn personages als Tsjechov. En niemand heeft ze zo vreselijk laten lijden. Maar dat is niet waar. Goed, ik heb mijn hoofdpersonen veel ontnomen. Maar ik heb ze altijd, altijd, hun hoop laten houden. En dat is toch het belangrijkste. En zo was het met mij ook, gelooft u maar, wat ze ook zeggen. Ik heb de hoop nooit opgegeven. Twee dagen voor mijn dood bestelde ik nog een lichtgrijs zomerkostuum. En zo hoort het ook.
Tsjechov: Het hele leven is absurd, dat is een feit. Er is uiteindelijk geen touw aan vast te knopen. Er is geen waarheid en totaal geen zekerheid, en ook geen redding maar we moeten blijven hopen. Ik heb mijn leven lang betwijfeld wat ik zag en wat ik hoorde, en ik twijfel na mijn dood waarschijnlijk nog. Maar ik zal altijd overtuigd zijn van de kracht die schuilt in woorden en in dat hele korte zinnetje: En toch…
ensemble: En toch, en toch…
Tsjechov: Laat de klagers nou maar klagen, er is altijd kans van slagen. Wie de moed opgeeft, verdient niet dat hij leeft.
ensemble: En toch, en toch…
Tsjechov: Laat de pessimisten zeuren, er kan altijd iets gebeuren wat het leven weer een nieuwe inhoud geeft.
Neem onze wereld nou, vol afgunst en gevaar, en vol geweld en haat en honger en bedrog. Toch wordt dat anders ook al duurt het duizend jaar, als heel de wereld zegt: en toch… en toch… en toch…
ensemble: En toch, en toch…
Tsjechov: Laat de klagers nou maar klagen, er is altijd kans van slagen. Wie de moed opgeeft, verdient niet dat hij leeft.
ensemble: En toch, en toch…
Tsjechov: Laat de pessimisten zeuren, er kan altijd iets gebeuren wat het leven weer een nieuwe inhoud geeft.
En blijven vechten tegen koning Onbenul en tegen alles wat verzuurd is, dom en log verlies de moed niet ondanks alle flauwekul, schreeuw door je tranen heen: En toch… en toch… en toch…
ensemble: En toch… en toch… En toch!


