* Lucas is de enige evangelist die zo omstandig Jezus’ hemelvaart schildert. Hemelvaart is het slot van zijn Jezusevangelie en tevens de aanzet van zijn Boek Handelingen, het evangelie van de Heilige Geest in de Kerk. Hemelvaart lijkt zo het scharniergewricht dat beide boeken samenhoudt: Jezus’ tastbare aanwezigheid eindigt in Jeruzalem; in dezelfde stad start de zending van de Kerk. Het is Jezus’ laatste verschijning. Hij zegent zijn leerlingen. Het is de enige maal dat Jezus zijn leerlingen zegent. Grote bijbelfiguren besloten hun leven met een zegen over hen die hun werk zouden voortzetten. Zo zegende Jacob zijn zonen (Gen 49,1-28), Mozes de stammen van Israël (Deut 33, 1-29), en David Salomo (1 Kron 28,20). Jezus’ zegen vergezelde een dubbele opdracht:
1. De opdracht aan de mensheid te getuigen van wie Jezus was, van wat Hij zei en deed.
-
Het gaat niet om een wijsbegeerte of een menselijke ideologie. In zijn afscheidsrede zei Jezus, die zelf het Woord van de Vader was: “De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar de Vader is het die blijvend in Mij zijn werk verricht” (Joh 14,10). Jezus legt alle nadruk op wat komt vanuit God, van wat de Vader heeft open geleefd, de verkondiging vanuit de Schriften. Hij zei nu bij deze laatste verschijning: “Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was: alles wat over Mij geschreven staat in de Wet van Mozes, in de profeten en in de psalmen moet vervuld worden”. En Hij verduidelijkte: “Zo spreken de schriften over het lijden van de Messias en zijn verrijzenis uit de doden op de derde dag, over de verkondiging onder alle volkeren van de bekering en de vergiffenis van de zonden in zijn Naam…” (Lc 24,44-46). Net ervoor had Jezus aan de Emmaüsgangers nog dezelfde verklaring gegeven: “Moest de Messias dit alles niet lijden om zijn glorie binnen te gaan ?” En dan had Hij voor hen de Schriften ontvouwd met alles wat op Hem betrekking had (Lc 24,26-27). Hij geeft hun de opdracht de bedienaars van zijn woorden te zijn, zoals Lucas het voor zichzelf al had begrepen en verwoord in het voorwoord van zijn evangelie (Lc 1,2). De verkondiging van wat Hij gezegd en gedaan had lijkt voor Jezus belangrijk en essentieel. Dat was de oerverkondiging van de jonge Kerk: Jezus Christus, Zoon van God, heeft geleden, is gestorven en verrezen tot vergiffenis van de zonden, tot heil van de wereld. Het gaat om het heil dat God van alle tijden vanuit zijn mateloze liefde in Jezus zijn Zoon heeft voorzien en aan de mensheid heeft geschonken. “Daarvan zult gij mijn getuigen zijn…tot het uiteinde der aarde” (Lc 24,48; Hand 1,8). Juist dat zal Petrus later vrijuit proclameren voor de Hoge Raad (Hand 5,30-31).
-
Het was Jezus’ geestelijk testament. Het gaat om de kern van ons Credo. Wij moeten geen andere belijdenis zoeken, dan de geloofsbelijdenis die we van de apostelen als oor- en ooggetuigen van Jezus ontvangen hebben. Zijn wij op onze beurt ook vandaag trouw gebleven aan die opdracht ? Welk Jezusbeeld komt vandaag in de media ? Welk Jezusbeeld in catechese en godsdienstonderricht ? Welke Jezus vieren we in de liturgie ? Of hebben we de klemtoon verlegd van deze geloofsinhoud naar wat wij of onze tijdgenoten graag willen horen ? Een andere Christus ? Een Christus naar onze smaak ? Zonder levensgave, zonder offer, zonder verlossing ?
2. En daarom de opdracht samen te blijven bidden om de kracht uit den hoge te ontvangen.
- We hoorden in het evangelie dat de apostelen aanstonds in aanbidding neervielen en terug in Jeruzalem in de tempel God verheerlijkten. Ze werden een communauteit die looft en aanbidt. In het boek Handelingen vernemen we dat ze nadien hun intrek namen in het cenakel en er volhardden in het gebed samen met Maria. Maria wist wat bidden was. Zij bezat die kunst. Van al wat haar overkomen was bij de geboorte en tijdens de groei van haar kind had zij biddend de diepere zin leren zien en verwerken. Het was dezelfde Lucas die ons meedeelt: “Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf” (Lc 2,19) en “zij bewaarde alles wat er gebeurd was in haar hart…” (Lc 2,51). Dit was de Joodse methode om de Schriften te begrijpen, om zich Gods woorden eigen te maken. Dit betekent dat zij haar persoonlijke ervaringen steeds maar opnieuw biddend bekeek in het licht van Gods heilshandelen in het verleden. Zo moesten ook de apostelen in het licht van wat God in de Schriften liet verstaan, de betekenis dieper nog leren begrijpen en in geloofstrouw doorgeven van wat er met de volwassen Jezus was gebeurd.
- Ook voor ons beperkt de ware bijbelkennis zich niet tot een dorre rationeel wetenschappelijke ontleding, een vivisectie van teksten. De Geest die de teksten heeft geïnspireerd moet in ons hart plaats en kans krijgen zodat de vonken overspringen. “De Geest der waarheid zal u de volle waarheid brengen” (Joh 16,13). De Schriften moeten we biddend - dit is ontvangend - lezen en ons leven erop leggen. Het echte bidden rond Jezus’ woorden is onmisbaar in de voorbereiding op het vormselsacrament. Dan wordt voor ons allen waar wat Jezus zei op het einde van de broodrede: “De woorden die Ik tot u sprak zijn geest en leven” (Joh 6,63). “De letter doodt, maar de Geest maakt levend” (2 Kor 3,6). Dan overkomt ons wat de Emmaüsgangers te beurt viel: “Brandde ons hart niet in ons, zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot ?” (Lc 24,32).