7° Paaszondag C (2010)

C-cyclus · Paastijd · 7e zondag van Pasen · wit

Ze heette,Daniëla. Ze was een Italiaanse. Ze was de dochter van een collega van één van onze docenten. Met een paar vriendinnen bezocht ze Amsterdam en via haar vader en diens Amsterdamse collega had ze onderdak gevonden bij ons, bij onze leefgemeenschap (“leefgroep” heette dat in die jaren) van theologiestudenten aan de Marnixstraat. En ze zag hoe wij afwasten: in een teiltje, met een sopje en dan afdrogen. Zonder eerst de chemicaliën van het afwasmiddel af te spoelen onder de kraan. Nee! Terribile! Met Italiaanse dramatiek gaf ze uitdrukking aan haar afschuw. Hoe kónden wij zóiets doen: dat was toch verschrikkelijk ongezond!

Het mag wel een wonder heten dat ik het hier na zoveel jaren nog kan navertellen. Waarom? Waarom vertel ik dit u vandaag? - Bij wijze van voorbeeld van hoe mensen verschillend over dingen kunnen denken en hoe ze verschillend kunnen doen. Je hoeft daarvoor nog niet eens met een buitenlander of buitenlandse van doen te hebben. Partners en huisgenoten kunnen verschillende gewoontes en ideeën hebben. En ook binnen de familie, op het werk, op de trap en ook in de kerk kunnen die uiteenlopen en ook frictie opleveren. Hoe richten we het huis en de tuin in? Wie doet dat? Hoe doen we het met eten? Hoe geven we het geld uit? Wie zet de vuilniszak buiten? Enzovoort. Het zijn de kleine dingen die het doen - in de goede én in de moeilijke zin. Wij kunnen ons door elkaar gezíen en geliefd voelen. Wij kunnen ons door elkaar bekrachtigd, gesteund en gestimuleerd voelen. Maar wij kunnen voor elkaar ook een bron van ergernis en verdriet zijn. Wij kunnen ons door elkaar ook afgewezen, geremd en óntkracht voelen: keer op keer naar beneden geschoten in onze ópvlucht als het ware. Zo kan het zijn. En als het in onze “kleine wereld” al zo ingewikkeld en moeilijk kan zijn om tot elkaar te komen, om elkaar goed aan te voelen en om goed met elkaar om te gaan, om harmonie en een zekere eenheid te ervaren, wat mogen we op dat vlak dan in “de grote wereld” verwachten, de grote wereld van de verhoudingen tussen de volken, tussen mensen van verschillende ethniciteit, met verschillende talen, culturen, godsdiensten en levensbeschouwingen? In het evangelie van deze dag bidt de Heer om eenheid, maar in de eerste lezing wordt Stefanus door zijn eigen volks- en geloofsgenoten afgemaakt, dat wil zeggen: Stefanus was dan een jood die in Jezus was gaan geloven, maar daar kon men blijkbaar niet tegen, zoals het voor mensen nog altíjd onverdraaglijk kan zijn om iemand met een kruis een keppeltje of een hoofddoek te zien. Er zijn omstandigheden waarin zulke uiterlijke tekenen van een bepaald soort gelovigheid je de kop kunnen kosten.

Omgaan met verschillen. Hoe moeilijk is dat.

Het evangelie van deze dag moet heel langzaam gelezen worden, meditatief. Het is als de dans van derwisjen: die Turkse mannen in die lange witte gewaden met van die torenhoge hoeden op hun hoofd. Terwijl ze dansen, om elkaar heencirkelen, letterlijk, bollen de gewaden op. Magnetiserend, hypnotiserend is het. De dansers én de toeschouwers raken in trance. Zo is ook het evangelie van deze dag: “Zoals U, Vader, in Mij bent en Ik in U, zo moeten zij in Ons zijn (…) Ik heb hen laten delen in de heerlijkheid waarin U Mij hebt laten delen, opdat ze één mogen zijn zoals Wij één zijn: Ik in hen zoals U in Mij (…). Eenheid tussen hemel en aarde. Eenheid tussen mensen - op grond daarvan, van daar uit.

Hoe komen wij tot die eenheid veelgeliefden? Ik denk, als wij in en vanuit de Kerk daarover spreken, dan moeten we zeggen: Die eenheid kunnen wij alleen maar vinden als we op Gód gericht zijn. Daarom insisteer ik altijd zo op het gebed. Daarom laat ik níet af om het onder uw aandacht te brengen, soms tot grote irritatie van sommigen. Echter, laten we het ná in de kerk, blijft de kerk gesloten en wordt er niet gebeden, dan worden het de vergaderingen en dan wordt het de onderlinge gezelligheid en dan wordt het ook “het gedoe” en ook eventueel het gekibbel en het geruzie dat ons met elkaar verbindt. Vergaderingen en onderlinge gezelligheid zijn natuurlijk óók belangrijk. En dat gedoe, gekibbel en geruzie blijkt helaas niet altijd te voorkómen. En laten we ook vooral niet vergeten dat er onder ons gelukkig ook sprake is van veel oprechte zorg en betrokkenheid en ondersteuning. En toch veelgeliefden: in het gebed gebéurt het. Het gebed is het hart. Het gebed is de kern van de zaak. In het gebed ervaren wij de fascinatie door God. In het gebed trachten wij open te staan voor Hem. In het gebed worden wij, wellicht, hopelijk, zo nu en dan, rechtstreeks door Hem geráákt. Kijk maar naar de eerste lezing, naar de bedreigde Stefanus. Daar gebeurt het: “Hij richtte zijn blik op de hemel, zag de heerlijkheid van God, en daar stond Jezus aan Gods rechterhand.” Dat is gebed veelgeliefden: Jezus zien. In de tweede lezing, uit het boek der Openbaringen van Johannes vandaag, zit het ook. De door Jezus beminde leerling ziet óók de hemel open en erváárt Jezus: “Ik ben de wortel uit het geslacht van David, de stralende morgenster.” Ook dat is: de fascinatie van en in het gebed. “Kom! Wie dorst heeft kome. Wie wil, neme het water dat leven geeft, voor niets.” Het essentiële, veelgeliefden, wordt ons geschonken. Het essentiële gebeurt gewoon. Wij maken dat niet. Het is alleen maar een kwestie van ervoor openstaan, van het láten gebeuren. En dat is gebed. En al het andere: de onderlinge betrokkenheid en zorg, de gezelligheid, de vergaderingen en de hele rataplan en dat alles in een goede geest, geïnspireerd door Góds Geest én daarvan getuigend, dat vloeit er als het goed is uit voort, uit het gebed. “Zoals U, Vader, in Mij bent en ik in U, zo moeten zij in Ons zijn, zodat de wereld kan geloven dat U Mij hebt gezonden.” Met andere woorden veelgeliefden: In onze manier van omgaan met elkaar, in onze manier van kerk-zijn laten wij Jézus zien - of niet. Want we kunnen Hem daarin en daardoor ook juist verbergen, verduisteren en onderschoffelen als kerk. “Diegenen die U Mij hebt toevertrouwd, zou ik graag bij Mij hebben waar Ik ben”. Zo is het: Jezus wil ons hebben waar Hij is. Hij wil ons betrekken in Zijn manier van leven, betrekken bij Zijn ervaring, díe aan óns geven. “Uw naam heb Ik hun bekend gemaakt en dat zal Ik blijven doen, opdat de liefde die U Mij hebt toegedragen, in hen mag zijn - opdat Ik in hen mag zijn.” Van Jezus, ook van de hemelse Jezus, gaat een stroom uit, een constante stroom. En met en in die stroom geeft Jezus ons Gods Liefde, geeft Hij ons zichzelf. Die stroom ervaren wij in ons gebed en vandaaruit beïnvloedt het, nee beïnvloedt Híj al onze verhoudingen.

Dat wij één zijn. Daar bidt Jezus om. En hoe worden wij één? Het antwoord wordt óók gegeven op de onvolprezen Münsterschwarzacher Bildkalender die bij mij op het toilet hangt. Een paar weken geleden las ik daar: “Wonach man jagt, das bekommt man nicht; aber was man werden lässt, das fliegt einem zu.” Een uitspraak van ene Pinchas Rabbi. “Waar je naar jaagt, dat krijg je niet. Wat je laat gebeuren, dat vliegt naar je toe.” Mogen wij het zó meemaken veelgeliefden. Moge de eenheid onder ons, bij het afwassen en bij alles wat ons bezighoudt; moge die eenheid waar wij biddend naar verlangen ons in de schoot geworpen worden. Amen.

Zoeken in Preken Online