Overweging over eenheid met God en met alle christenen
Als mensen sterven heb je soms, dat je aan ze kunt merken dat ze al iets zien van waar ze naartoe gaan. Als er sprake is van overgave, dan worden we blijkbaar gevoeliger voor het spirituele, voor de verbinding die er is tussen hemel en aarde. Ik heb wel meegemaakt dat mensen zeiden, als in trance, dat ze een licht zagen, en dat het heel mooi was. Alle angst voor het duister van de dood was verdwenen. Er was een groot vertrouwen om thuis te komen in het licht. In de eerste lezing zien we dat ook bij Stefanus. Hij heeft zich de woede van de joodse leiders op de hals gehaald door openlijk iets godslasterlijks te verkondigen, namelijk dat hij de verrezen Christus zag als de Heer die in de hemel is aan Gods rechterhand. Stefanus wordt gestenigd, met stenen bekogeld totdat de dood erop volgt; dus op de manier waarop dat heel af en toe nog in de islamitische wereld gebeurt. Gelukkig zijn er steeds meer landen die de doodstraf afschaffen. Maar waar het mij om gaat is: Stefanus ziet zijn einde naderen, en ondanks alle geweld om hem heen voelt hij een diep vertrouwen: hij voelt zich geborgen in de liefde van God. Hij sterft zoals Christus zelf, die ook vlak voor zijn dood bad voor zijn vervolgers. Dat is toch wel iets bijzonders, als je dat kunt.
Stefanus voelt zich één met God, en dat geeft hem enorm veel steun en kracht. Die eenheid bedoelt de apostel Johannes ook als hij het heeft over de eenheid van de christenen, waarvoor Jezus bidt. Bij deze tekst denken we ook gauw aan de verdeeldheid onder christenen, en over oecumene, over het als christenen samen bijdragen aan een betere wereld. Ik weet niet hoe het bij u is, maar ik zie nogal golfbewegingen, als het gaat over het geloof in de eenheid van de christenen. Zo’n 50 jaar geleden kwam het tijdperk ten einde, waarin katholieken en protestanten in twee verschillende werelden leefden en de leiders ervan zeiden dat we zo weinig mogelijk contact moesten hebben met elkaar. Gemengde huwelijken waren toen taboe, en de beelden over en weer waren heel zwart-wit. In de tijd na het concilie, 45 jaar geleden, was er een bloei aan oecumenische initiatieven, zoals gespreksgroepen, gezamenlijke diensten en veel belangstelling voor elkaar. We gingen zien dat we elkaar echt iets te bieden hadden en elkaar konden verrijken. De katholieken maakten een inhaalslag in de omgang met de bijbel, en veel protestanten kregen waardering voor rituelen en voor mystiek. Ook zij gingen meer beseffen dat je niet alles in woorden kunt vatten, en dat rituelen je ziel werkelijk in contact kunnen brengen met de liefde van God.
Maar we leven nu in een andere tijd. De kerken hebben het allemaal moeilijker gekregen om de eindjes aan elkaar te knopen en om hun elan te bewaren. We zijn nuchterder geworden. Er is bijna niemand meer die zegt dat wat de kerken doen eigenlijk allemaal op hetzelfde neerkomt en dat we het beste kunnen fuseren. De verschillen tussen de kerken zijn soms heel groot. Het is ook moeilijker geworden om in onze kerk vrijwilligers te vinden voor zoiets als een Raad van Kerken of een Interkerkelijk Overleg. Er zijn uit de hoogtijdagen van de oecumene wel goede dingen overgebleven, zoals kanselruil, soms gemeenschappelijke gebedsdiensten, wat gemeenschappelijke volwassenencatechese en samenwerking in de diaconie. Er wordt bijvoorbeeld intensief samengewerkt bij de kerstactie. En in Nieuwegein bij het Pastoraal Café voor mensen met een psychiatrische achtergrond, bij de vespervieringen voor mensen met een verstandelijke beperking, en bij diverse inloopgelegenheden voor mensen die eenzaam zijn.
De oecumenische samenwerking heeft in IJsselstein wel een sterke impuls gekregen door het programma dat vijf verschillende kerken samen hebben georganiseerd eind april in het kader van 700 jaar IJsselstein. Samen iets naar buiten toe doen, voor de hele stad, het leidde bij de vrijwilligers die het droegen tot een gevoel van verbondenheid; we waren even één grote familie. We gaan binnenkort ook praten over hoe we na deze positieve ervaring verder willen met de andere kerken hier. U hoort er vast nog over.
Als ik naar jonge mensen kijk die nog iets met de kerk hebben, dan valt me op dat ze vaak toch hechten aan het katholiek eigene. Je bent niet in de eerste plaats christen; je wilt katholiek zijn, ook al heb je niet zo’n sterke band met de kerk als je ouders of je grootouders. Ik zelf voel dat eigenlijk ook zo. Ik heb in de diaconie veel samengewerkt met protestanten en ben ze steeds meer gaan waarderen. Er zijn een hoop vooroordelen opgeruimd, aan beide kanten denk ik. Maar als het gaat om contact met God, om leven vanuit de genade, zoek je toch naar wat je vertrouwd is, uit je eigen traditie. Al zijn er natuurlijk ook mensen die lid worden van een andere kerk omdat ze zich daar meer thuis voelen.
Er is een nieuwe werkgroep opgericht die zich bezighoudt met opvoeding. Niet geloofsopvoeding, catechese, maar veel breder. We denken met elkaar dat katholieke ouders toch een andere cultuur hebben, anders met allerlei dingen omgaan dan anderen. Maar waar zit dat dan in? Wat is het eigene van onze traditie, en hoe dragen we onze manier van leven over aan onze kinderen? Ik hoop dat we met elkaar onze ervaringen en inzichten op papier kunnen krijgen, en dat mensen die proberen hun kinderen goed op te voeden er iets aan hebben. U hoort er dus nog van.
Stefanus voelde een diep vertrouwen in Gods nabijheid. Dat gaf hem een grote kracht. Ik hoop dat datzelfde vertrouwen hier in deze gemeenschap steeds weer gevoed wordt. Omdat we als katholieken onze eigen manieren hebben om de eenheid en verbondenheid met God te beleven. En vanuit een duidelijk gevoel van eigenwaarde kunnen we ook heel goed samenwerken met andere christenen voor het heil van de stad. Stefanus leefde en stierf in overgave aan Gods wil, en dat kon hij omdat hij God als liefde zag. Moge die overgave ook steeds weer groeien in ons.
Het Johannesevangelie zegt iets belangrijks over het kerstkind en over onze relatie met Hem. In het ene scheppingsverhaal is God aan het boetseren. Maar in het andere spreekt God, en door zijn woord komt de wereld tot stand. Door het Woord komt er ordening en ontstaan er goede onderlinge verhoudingen. Datzelfde woord van God wordt vlees in Jezus van Nazareth, zegt Johannes. Daarom kan hij zeggen: het Woord was in de wereld, de wereld was door Hem geworden en toch erkende de wereld hem niet. Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaarden Hem niet. Dat klinkt nogal pessimistisch: de wereld wil niet luisteren naar het woord van God.