Pasen vieren is God kennen en erkennen, het is God in Jezus herkennen. Zondag na zondag ontvouwt zich het Paasmysterie, ontvouwt God de schoonheid van zijn liefde en leert de Kerk zichzelf kennen.
We leerden de gevoelens en reacties kennen van de protagonisten en van de toeschouwers van de Paasgebeurtenissen, van de Paasweek en van de weken die erop volgden: de liefde en het geloof van Maria, de Moeder van de Heer, de ontsteltenis, de verbijstering en de vreugden van Maria van Magdala en van de andere vrouwen, de ontgoocheling, de schrik en de vlucht, het langzaam groeiende geloof van de meeste Apostelen en van de leerlingen, de trouw van Johannes, de geliefde leerling, die in stilte overal de Meester volgt en het eerst tot geloof komt na de verrijzenis, de verloochening, het berouw en later de getuigende kracht van Petrus.
We leerden Jezus zelf kennen, “Op het zien van wat er gebeurd was, loofde de honderdman God en zei: Deze mens was waarlijk een rechtvaardige”. Hij was waarlijk de Onschuldige. Er was echt geen reden geweest om Hem te veroordelen en te kruisigen. God moest wel voor Hem opkomen. Ook werd Hij de enige die Hem redde uit de dood. Zo leerden we ook God kennen. We leerden Hem beter kennen dan vroeger. Hij was waarlijk de Vader van Jezus. “Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest”, was niet een woord voor niets geweest. Hij had Zich verheerlijkt, door Jezus machtig te doen verrijzen. En zo was ook Jezus machtig verheerlijkt. Hij en de Vader waren werkelijk één.
We leerden tenslotte onszelf kennen. “Al het volk dat voor dat schouwspel samengestroomd was, keerde terug toen zij aanschouwd hadden wat er gebeurd was, en sloegen zich op de borst”. Dat was onze eerste reactie. Maar toen Jezus ons verscheen en onze ontrouw, onze lafheid en ons ongeloof met liefde beantwoordde en ons dringend uitnodigde en beval voortaan elkaar lief te hebben zoals Hij ons had liefgehad, werkte Hij onze tweede reactie los, zodat wij de oude mens in ons niet meer herkenden en als nieuwe mensen gingen leven en getuigen. Vroeger had God onze vaderen gered en daarom moesten wij elkaar redden en helpen door het gebod van de liefde te onderhouden. Hoe dringender werd nu dat liefdesgebod, nu Hij voor onze ogen onze oudste Broeder redde, die wij onschuldig lieten verloren gaan.
Vandaag leren wij over God en terzelfder tijd over onze onderlinge liefde verdere, nieuwe, verbazende dingen. Jezus leert ons de gemeenschap kennen die leeft tussen Hemzelf en zijn Vader. Die gemeenschap is liefde en vrede, “niet zoals de wereld die geeft”. In de wereld leven gemeenschap, vrede en liefde tussen gelijken. Bij God is dat niet zo en in de Kerk mag dat niet zo zijn. “De Vader is groter dan Ik”, zegt Jezus. En toch is Hij één met de Vader. Toch heeft Hij Hem oneindig lief. Toch zijn Beiden verheerlijkt met Pasen, verheerlijken Ze met Pasen Elkaar. Een Heilige Geest van liefde verenigt Hen, verenigt de Zoon met de Vader die groter is. Vandaag leren we die Heilige Geest kennen.
De Heilige Geest is onze “Helper” in het beleven van de onderlinge liefde. Hij helpt ons lief te hebben wie groter is dan wij en één te zijn en in vrede te zijn met hem. In de Kerk is niet iedereen gelijk. De een is groter dan de ander, elk volgens de gaven die God aan eenieder schenkt. Niet iedereen hoeft gelijk te zijn. Dat stoort de vrede niet die Jezus geeft. En waar geen eensgezindheid heerst, is het de Heilige Geest van liefde, die de eensgezindheid schept en de gehoorzaamheid aan wie groter is, in onderlinge vrede tussen allen. Die is niet op macht tussen gelijken gesteund, zoals dat in de wereld gaat, maar op de liefde die God op Pasen openbaarde. “De Heilige Geest en wij hebben besloten”, schrijven “de Apostelen en de oudsten” uit Jeruzalem “aan de broeders uit de heidenen in Antiochië”. “Als gij uzelf daarvoor in acht neemt zal het u goed gaan”, zal het goed gaan in de Kerk. “Vaarwel”!