Een jong meisje lijdt aan kanker. Samen met haar familie, ouders, broers en zusje gaat ze de strijd aan. Zware therapieën, chemobehandeling en dergelijke. Haar mooie krullen worden dof en vallen uit. Ze wordt kaal. Om haar te steunen, om haar te laten weten hoe lief ze haar hebben, Iaat de hele familie zich kaal scheren. Zij werden onvergetelijk, door op deze manier solidair te zijn met de zieke in hun midden en mee te gaan op de weg van lijden en ontluistering.
Deze gebeurtenis maakte ons scherp duidelijk, hoe God voor mensen wil zijn. Kijkend naar alle leed en naar onze machteloosheid, doen we vaak een beroep op God. Hij, die woont in de hemel, de Almachtige, moet zich laten horen en zien. ‘Waarom Iaat Gij mij tobben?’, bidt de psalmenzanger ‘waarom wendt Gij uw gelaat van mij af.’
Wat betekent in dit verband het woord van Jezus. ‘Ik zal u een andere Helper geven, de heilige Geest, die bij u zal blijven?’ Hoe waar is een woord, dat niet lijkt te werken? Dit probleem komen we al tegen in de geschiedenis van het joodse volk. God zegt, dat Hij zich met hen verbindt, maar zij merken er zo weinig van. En daarom nemen zij zo vaak het recht in eigen hand, verbinden ze zich meer met de grootmachten van deze wereld, dan met hun de Enige God, hun beschermer en toeverlaat.
En wij zijn niet veel beter. We zetten onze kaarten op uitvindingen en techniek, we slaan erop met wapengeweld, laten ons door angst gezeggen in plaats van te vertrouwen op Gods belofte. We denken misschien: ‘Er zal wel een God bestaan, maar Hij Iaat ons aan onszelf over.’ Dat we zo denken komt misschien ook omdat we ons een God hebben uitgedacht naar ons beeld en gelijkenis. Uitvergroot rekenen wij ons machtsdenken aan God toe. Bij ons heeft een machtig mens het voor het zeggen. Dat gegeven plaatsen we over op God, die dan de Almachtige wordt.
Toch is de God, die Jezus ‘Vader’ noemt een andere en zijn Verbond met ons houdt niet in dat Hij eens gegeven verantwoordelijkheden overneemt. Hij is geen baas over de gebeurtenissen, Hij beheerst niet onze geschiedenis. De God van de bijbel is een ‘meegaande’ God, is gezelschap op onze levensweg. Hij gaat mee met het volk in de woestijn, Hij duikt mee onder in de ballingschap, Hij houdt je bij de hand. En Israël komt er steeds bovenop als ze zich dit herinneren; ‘Ik, Jahweh, ben er, altijd.’ Jezus is de levende getuigenis van deze meegaande God, tot in de dood, zelfs door de dood heen naar nieuw leven.
‘Als Ik er niet meer zal zijn, blijf Ik toch met jullie meegaan. Iemand die je ‘bijblijft’. de heilige Geest, die werkt in je hart, is mijn gave.’ Pinksteren nadert, het feest van de uitnodiging tot nieuw ‘geestelijk leven’. De uitnodiging om in de wereld solidair te zijn, levensgezelschap voor allen die ernaar hunkeren. Pinksteren is de uitdaging om te getuigen, hoe Hij van ons ‘geest-rijke’ mensen maakt, juist in de levensopdracht die we vervullen. Het is de liefde die Gods Geest in ons vrijmaakt, die alle schaduw achter ons Iaat, omdat we gekeerd staan naar het licht, omdat we ons niet meer hoeven schuil te houden in de angst. Jezus Iaat nu de schaduwen achter zich en keert terug in de grote liefde die Hem voorbracht. ‘Zo is het goed’, zegt Hij, ‘want dieper dan voorheen zal Ik je tot gezelschap zijn. Dan zul je weten, wat waarheid is, wat waarde heeft; wat vrede is, want je zult nu al bij God thuis zijn. Hij woont onder je dak.’
Is daarmee alle leed geleden? Nee, dat niet. Het leven is en blijft lief en leed, vreugde en kruis. Het hoort nu eenmaal bij onze wereld. Maar samen staan we sterk. Zo stond de familie rondom het zieke meisje, sterk in de liefde. Samen hebben ze elkaar gegeven aan het leven. Door de sterke solidariteit verdween de angst voor ziekte en dood. Verrijzenis werd een reëel vermoeden. Dat is Pasen: getuigen dat het leven niet stuk kan, wat je ook overkomt.