Wat is liefde? Van Dales woordenboek omschrijft liefde als ‘warme genegenheid, gehechtheid aan een persoon of zaak’. Spontaan vatten wij dat op als een gevoel. Nu zijn gevoelens wat ze zijn. Je hebt ze of je hebt ze niet. Ze kunnen je overvallen en daarna weer wegebben. Je hebt er hoe dan ook maar weinig greep op. Als we liefde opvatten als een gevoel, komen we in de problemen met wat Jezus zegt: ‘Jullie moeten elkaar lief hebben.’ Hoe kun je van liefde een ge bod maken? Het eerste en voornaamste nog wel.
Geboden zijn niet gericht op gevoelens, maar op de vrije wil. Ze zeggen wat wij moeten doen. Als Jezus van de liefde een gebod maakt, wil dat meteen zeggen dat liefde in laatste instantie geen gevoel is, maar een daad. Liefhebben is een werkwoord, iets waar mensen werk van moeten maken. Een gebod is bovendien iets wat niet vanzelf gaat. Het eist bekering. Jezus weet heel goed dat mensen spontaan niet liefdevol handelen. Liefde is niet zomaar een natuurlijke aanleg of neiging. Wel is het een verlangen in elk mensenhart. We hunkeren allemaal naar liefde. Maar wat is dat dan?
Verrassend is bovendien dat Jezus zegt dat dit een nieuw gebod is. Is liefde niet van alle tijden? Het gebod om God en de mensen lief te hebben staat al in het Oude Testament. Jezus weet dat heel goed. Wat is er dan nieuw aan zijn gebod? We moeten even doorlezen: ‘Met de liefde die Ik jullie heb toegedragen, moeten ook jullie elkaar liefhebben.’ Daarmee is liefde niet langer een vaag en onduidelijk verlangen. Ze is vlees en bloed geworden in een mens. Jezus vult het woordje liefde in met zichzelf. In het liefhebben verlegt Hij de grenzen. Hij geeft zijn leven, niet alleen voor zijn vrienden, maar zelfs voor zijn vijanden. Aan zij die Hem vermoorden, schenkt Hij vergeving. En dat durft Hij ook te eisen van zijn volgelingen, voor wie Hij zijn leven geeft.
Is dat nieuw? Heeft nooit iemand vóór Hem dat gedaan? Ik zou het niet weten, maar dat is ook niet echt de vraag. Een dergelijk voorbeeld is altijd nieuw, voor ieder van ons, omdat het onophoudelijk de grenzen verlegt. Geen mens zou er spontaan aan denken dat liefde zo ver moet gaan. Daarom zal dat gebod altijd nieuw blijven. Het zal telkens weer onverwachte eisen stellen. Er doen zich tal van situaties voor waarin wij spontaan zeggen: ‘Dat is de grens, nu heb ik alles gedaan wat ik kan doen, verder ga ik niet.’ Als we dan opkijken naar Jezus en onze manier van lief hebben vergelijken met de zijne, zullen we altijd weer moeten vaststellen dat Hij meer vraagt, dat Hij de grenzen van ons liefhebben doorbreekt en verlegt. In die zin zal zijn gebod nieuw blijven. Jezus’ gebod is ook een dwingende oproep om nooit te vertwijfelen aan de liefde. Hoezeer het er ook op lijkt dat haat en geweld, onrecht en eigenbelang de bovenhand halen, het gebod van de liefde schenkt het vertrouwen dat liefde het laatste woord zal hebben.