‘Slaap kindje slaap…’ het kinderliedje van onze jeugd. En deze lente kan onze verbeelding nog stimuleren. Op het platteland hebben de schapen hun lammeren geworpen. De weiden zijn vol dartelheid. Schapen zijn bijna kinderen, maar het dier heeft soms een kwaaie naam gekregen. Het heet dom te zijn, afhankelijk, schrikachtig, bang, te volgzaam en weinig zelfstandig. Als wij mensen schaapachtig noemen of we zeggen dat hij of zij mak is als een schaap, dan klinkt er in ons woord wat misprijzen door. Een beetje dom dier dus. En toch heb ik ooit over het schaap gelezen, dat het graast met groot onderscheidingsvermogen. Instinctief weet het de goede eetbare kruiden te vinden en aan giftige voorbij te gaan. In dit opzicht toch niet zo’n dom dier dus. De Bijbelse mens lijkt meer idee te hebben van de mogelijkheden en talenten van zijn schapen. De Bijbelse mens moest ook wel, want voor eten en drinken is hij van zijn schaap afhankelijk. En om zich te kleden gebruikt hij de wol van het dier. Daarom staat en leeft het schaap dicht bij de mens; het is vaak zijn enige bezit. Daarom is het te begrijpen dat het hem erg dierbaar is. En als hij ooit een offer moest brengen aan zijn God, dan kwam hij met vaak een lammetje, en bad tot zijn Heer: ‘Lieve God, ik breng U het liefste wat ik heb, daarmee bied ik mijzelf aan om U te laten weten, dat het goed is tussen ons.’
In die traditie wordt Jezus zelf een lam genoemd. Hij wordt door Johannes de Doper aangewezen als het Lam Gods. Het zijn dezelfde woorden die wij zeggen en herhalen als we bij elkaar komen om het brood te breken: ‘Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld.’
Een dier, dat zo’n rol speelt in het Bijbels verhaal verdient de kwalificatie ‘dom’ niet. En omdat het geen dom dier lijkt te zijn, is het wellicht goed om ook ónze visie op herders wat te herzien. Wij denken dat herders er zijn om voor de kudde de marsroute uit te maken, de weidegronden, en de schuilplaats uit te zoeken. Maar of de schapen daar zo op gesteld zijn…?
In ieder geval is zo niet de kudde die Jezus zich voorstelt, want schapen zijn geen domme dieren. Herders moeten niet denken dat zij het gras voor de schapen uit kunnen zoeken. Schapen zijn immers specialisten op het gebied van gras. Daarom moet iemand, die geen graseter is, zich niet verbeelden dat hij schapen daarin de weg kan wijzen. Herders moeten eerder opletten, waar schapen het gras gaan zoeken en dan erop vertrouwen dat zij het goede gras vinden en het slechte te laten staan. Maar er moet toch leiding zijn voor de kudde? Zeker! Wat kunnen herders wel doen? Wat kan het bijbelse beeld ons nog meer vertellen?
Achteraan lopen en zorgen dat geen van de schapen geroofd wordt door degenen van buiten, die het schaap kwaad willen doen. Want ook de kwetsbaarheid is een karakteristiek van het schaap, en daarin heeft de joodse mens zichzelf terecht herkend. Meer dan welk volk ook zijn zij bedreigd en beroofd in de loop van de geschiedenis. ‘De Heer is mijn herder’ moest wel hun overtuiging worden. Of minstens een diep verlangen. De herder moet proberen de kudde te beschermen, het verloren dier terug te brengen als het verloren raakt; het bevrijden als het ergens in doornen of in struiken terecht komt of zomaar in gevangenschap raakt. Bevrijden, terugbrengen en uitnodigen om opnieuw zelf te gaan zoeken waar leven te vinden is; uitdagen om zelfstandig lid te worden van de grote gemeenschap, waarin je je thuis voelt.
Wanneer we een andere visie verwerven op het schaap, moeten we ook onze gedachten over de herder bijstellen. Ieder van ons is op bepaalde momenten immers geroepen om herder te zijn, dan voor deze, dan voor die. We kunnen uit de bijbel onthouden, dat degene, die we leiden geroepen is om zelf leven te zoeken en mens te worden. Die verantwoordelijkheid kan niemand overnemen. Wel als het even niet lukt een mogelijkheid bieden om te schuilen en dan weer op eigen kracht verder gaan.
Als we op deze roepingenzondag bidden om herders in de kudde, dan vragen we om een soort dat mensen leidt, opdat zij zelf hun weg vinden in deze wereld.